Zo moet een kleurenblinde zich dus voelen. Alles om ons heen leek groen vandaag maar volgens het nieuws is een groot gedeelte van ons land rood. Het is of de geest van Fré Meis over het land waart en de kaart inkleurt maar was het maar zo onschuldig. Het nieuwe rood heet Corona. Het is verraderlijk want het is er wel maar je ziet het niet. Een minuscuul schepseltje, onzichtbaar voor het blote oog. Het lijkt niets maar wanneer ze in groepen opereren hoed je dan maar. Na de pest, Spaanse griep, cholera en typhus is dit een nieuwe gesel die de mensheid te pakken probeert te nemen en het moet gezegd worden, het gaat ze aardig af.
Voorzichtigheid is dus geboden want wanneer jij ook rood kleurt door de Corona ben je nog niet jarig. Maar ondanks de verkleuring van onze wereld hebben we toch besloten om dit jaar weer op reis te gaan. Bij ons thuis is het rood en waar we heen gaan, richting zon, is het ook rood. Roder wordt het niet. Voordeel is dat de bevolkingsdichtheid daar lager is dus mijn boerenverstand zegt dat het er veiliger moet zijn. Maar ja, ik kan me vergissen. Ik ben nu eenmaal geen wetenschapper.
Van de week dus de caravan maar gehaald en ingeladen. Gevarendriehoek, veiligheidshesjes, alcoholtesters, verbanddoos in de kofferbak, mondkapjes in de sanitaire ruimte, Corona-app op de telefoon, latex handschoenen op de achterbank, Dettol in de zeeppomp, thuistesten in de koelkast en het bijgewerkte medisch paspoort in het dashboardkastje. Weinig plek meer voor de reguliere bagage maar ja, reizen is afzien, niet waar? Alles compleet zou je zeggen.
Maar ik kwam bedrogen uit. Toen ik onze plannen bij vrienden bekend maakte kwam de vraag: ’Maar heb jij dan al een Franse milieusticker?’ Een Franse milieusticker? Ja, een milieusticker, uitgegeven door het Franse ministerie voor de Leefomgeving. Nee, verdomme, die had ik niet. Effe niet aan gedacht. Waarschijnlijk omdat ik er nog nooit van had gehoord. Zonder zo’n ding mag je verschillende streken en steden niet in met de auto. En een mondkapje voor je uitlaat, daar trappen ze niet in, die gendarmes. Die zijn ook niet helemaal achterlijk. Zien dat we er één krijgen dus.
Dat was gemakkelijk gezegd dan gedaan. Nergens in Nederland zijn ze te krijgen. Ze zijn alleen in Frankrijk te krijgen via de Service de Déliverance des Certificats Qualité de l’Air. Voor het geld hoef je het niet te laten. Vier euro éénenvijftig kost zo’n ding. Daar moet geld bij zou je zeggen. Helaas is de website opgesteld in ambtelijk Frans en dat is wel wat anders dan een croissantje bestellen bij de bakker. Verder worden er achterlijke vragen gesteld zoals het uitstootniveau bij toelating van het voertuig. Hoe moet ik dat nu weten?
Goede raad is duur en goede hulp ook. Gelukkig kan je hulp kopen bij een tussenpersoon in Abcoude. Voor zestien euro helpt die je de weg te vinden in het Franse overheidslabyrint. Binnen 48 uur krijg je dan een papieren exemplaar in de mail die je in kleur moet afdrukken. Mocht je geen kleurenprinter hebben dan willen ze je daar ook nog wel bij helpen. Voor acht euro doen ze dat en voor dat geld sturen ze je hem ook nog naar je toe. Het plaatje mag je dan uitknippen en met de bijbehorende QR code is het ook nog rechtsgeldig. Alleen nog op je voorruit plakken en klaar is Kees. Een kind kan de was doen.
Gelukkig was het in kleur afdrukken niet nodig in mijn geval. Ik kon zelf voor de kleur zorgen. Want de kleur is belangrijk. De kleur is gelinkt aan de vervuilingsfactor van je voertuig. En de vervuilingfactor bepaalt waar je wel en niet mag komen. Het is trouwens wel opletten geblazen want iedere stad en ieder departement kan zelf bepalen welke regels ze hanteren. Nu troffen wij het wij wij hebben CRIT’air 1, de paarsrode sticker. Dat is na de elektrische auto, die de groene sticker heeft, de tweede categorie en dan mag je bijna overal komen. Gelukkig had ik gisteravond om 23.48 uur de mail in de bus, kon ik hem vanmorgen nog even snel in kleur uitprinten en dus staat niets onze tocht meer in de weg.
Vanmorgen de laatste spullen de auto in, even de Deutsche Leute gedag gezegd en rond een uur of elf reden we weg. Op naar onbekende horizonten. Het ging allemaal vrij voorspoedig. Het was rustig op de weg en zelfs Luik bleek geen probleem. Iets voorbij Luik even gekeken welke kant we op willen en na een kleine tijd-snelheidsanalyse in combinatie met mogelijke pleisterplekken kwamen we uiteindelijk uit op Attert waar een keurige doorgangscamping in de gids stond vermeld. Rond vijf uur waren we daar. We waren te laat. De rivier waar de camping aan gelegen was stroomde er nog maar de camping bestond niet meer. Of dit te maken had met de recente wateroverlast of dat onze gids uit 2013 dateerde was niet geheel duidelijk maar we moesten een nieuwe keuze maken.
Camping Officiel Arlon werd het. Elf kilometer verder. Een prima plek voor een nacht. Een paar jaar geleden zijn we hier ook al geweest. Blijven zullen we hier niet. De triestheid van de omgeving zijn we nog niet vergeten. Geen plaats om langer te blijven. Het enige dat sjeu aan de omgeving geeft, het befaamde biefstukkenrestaurant op de camping, was helaas ook gesloten. Corona. Zelf dus maar even gekookt. Tomatensoep. Het kleurde ons bord rood, vuurrood.
Half acht. De eerste campinggasten op doorgangscamping Officiël in Arlon ontwaken en maken zich klaar om te vertrekken. De anderen laten niet lang op zich wachten. Ze zijn gewekt door het geluid op de camping. Opeens verschijnen overal verschrikte gezichten achter de caravanruiten. Och Jezus, is het al zo laat? Snel, sneller, snelst. Het lijkt wel een wedstrijd wie of er het eerst op de snelweg is.
Ongetwijfeld is het een grijsgehaarde die als eerste een ticket bij het tolpoortje uit de automaat trekt. Dat kan bijna niet anders wat het is alles grijs wat hier de klok slaat. Mocht je nog twijfelen aan het bestaan van de grijze golf dan moet je hier eens heen. Hoewel, grijze golf? Grijze tsunami zou een betere omschrijving zijn. Een vloedgolf van plezierpolyester perste zich vanmorgen, bijna tegelijkertijd, door uitgang. Op weg naar de A33 en zonniger oorden.
Een half uur later waren wij ook klaar, na een oude krentenbol en een kop koffie, en konden we op pad. Op weg naar het doel dat nog niet bepaald was maar vagelijk omschreven is als ‘een plek met beter weer’. Villard-les-Dombes had ik als doel ingegeven, snelwegen vermijden en een toeristische route. Geen wonder dat het vandaag geen donder opschoot. Maar mooi was het wel. Een afwisselend landschap onderweg. Onafzienbare akkers met zonnebloemen en mais, geschoren graanvelden en bossen. Slaperige dorpjes waar riviertjes zich doorheen wringen.
Zoals gezegd, we hadden al een stoffige krentenbol naar binnen gewerkt. We lustten nog wel wat maar we maakten ons daarover geen zorgen want in Frankrijk zijn namelijk een paar zekerheden: men spreekt geen Engels, je wordt altijd op de meest ongelukkige momenten ingehaald en in ieder dorp zit een bakker. De eerste twee zijn nog steeds van toepassing maar het lijkt wel of de derde stelling aan kracht aan het inboeten is. We zijn heel wat dorpen gepasseerd maar geen bakker te bekennen. Gelukkig kwamen we op een gegeven moment een Lidl tegen. Een keur aan brood lag daar op ons te wachten. En prijzen, daar kan geen Franse bakker tegenop. En het blijft nog langer vers ook want een baguette van een Boulanger Artisan is na twee uur zo hard als een honkbalknuppel.
Ik kan me trouwens wel indenken dat een bestaan als bakker in een leeglopend gehucht als Painsec niet erg tot de verbeelding spreekt en dat je er op een gegeven moment de brui aan geeft. Zes dagen werken, drie uur ’s nachts je bed uit om de rijskasten te vullen en geen droog brood verdienen. Ja, droog brood, dat hou je over aan het einde van de dag. Een schap vol onverkochte Ceréales en pains de campagne. Wat moet je er mee? En ondertussen pikken de grootgrutters steeds meer van je omzet af. Wel begrijpelijk dus dat de bakkerijen sluiten maar spijtig is het wel. Al was het maar omdat wij trek hadden vanmorgen en er niet overal een Lidl is.
Zoals gezegd, vandaag schoot het niet op. Na overleg besloten om maar een doel te kiezen dat dichterbij in de buurt lag en we hebben richting Dijon aangehouden. We kwamen tot vlak voor Langres toen een bordje Camping à la ferme bij een afslag onze aandacht trok. Het was een uur of drie maar ik had het wel een beetje gehad met het rijden. Het was mooi weer en ik had meer zin in een koud biertje voor de caravan dan nog een paar uur kilometers vreten. Op weg er heen dus. Een paar kilometer verder kwamen we in Rangecourt terecht en het moet gezegd worden, je bent een knappe jongen als je dat weet te vinden zonder kaart. De camping hadden we snel gevonden. Dat kon ook bijna niet anders, het dorp is niet zo groot. Zeventien huizen, een kerk én geen bakker.
Al bijna hoort het tot de standaardverhalen, de morgenstond. Vroeg wakker, nog niet gewend aan het nieuwe ritme. Vanmorgen was het rond een uur of zes. Ik was wakker, klaarwakker. Graag had ik nog wat blijven liggen maar dan het liefst met mijn ogen dicht maar dat was me niet gegeven. Eruit dus maar. Fris was het, kleren aangedaan, banaan in de zak en maar een rondje gaan lopen. We hebben de stappenteller namelijk ook niet voor niets mee.
Op goed geluk een paadje gepakt maar dat liep dood. Letterlijk en figuurlijk want aan het einde lag de plaatselijke dodenakker. Andere kant dus maar op. Met behulp van Google kon ik een aardig rondje uitstippelen. Leuke omgeving en wat is de wereld mooi als de zon opkomt. Na pakweg anderhalf uur kwam ik weer terug bij de camping waar Jantiene driftig doende was om de kachel aan te steken. Voor mij hoefde dat niet, het zweet liep door mijn naad vanwege de toch wel stevige hoogteverschillen onderweg.
Na het eten en de douche waren we klaar om te vertrekken maar dat bleek nog niet zo eenvoudig als het leek. De camping, of eigenlijk de boomgaard, was voorzien van een eenrichting pad. Helaas zaten er in het pad een paar krappe bochten en heggen die eigenlijk in de weg stonden. Het leek mij dus wel een goed idee om in tegengestelde richting de camping te verlaten. Ik kon dan ook makkelijker de weg op komen. Het enige nadeel was dat het pad, dat verhard was met losliggend grind, wat opliep. Achteraf denk ik ook dat het grind er nog niet zo lang lag want het was nog niet echt ingereden.
Met wat tekort snelheid reed ik richting uitgang en opeens begonnen de wielen te slippen en groef de auto zich in het grind. Bijna tot aan de as aan toe vraten de wielen zich een weg richting Nieuw- Zeeland. Vooruit gingen we dus niet meer. Caravan maar weer losgekoppeld. Mooi, de auto ging weer vooruit en iets later kregen we de caravan er ook af. Lang leve de mover. Weer aankoppelen en richting Dijon. Een kleine honderd kilometer. Goed te doen dus. Het was tegen de middag toen Dijon in zicht kwam en toen kwam opdracht twee.
Zoek een camping, rustig en goedkoop, met lekkere wijn en waar je goed kunt fietsen in de buurt van Dijon. Deze omschrijving was een gevolg van een gezellige avond met Jan en Neli. Daar hadden we de afspraak gemaakt om eindelijk eens samen een droge witte op een camping te gaan drinken. Een idee dat al jaren leeft. Natuurlijk hadden we ook naar de Molengroet in Noord-Scharwoude kunnen gaan maar omdat we rond deze tijd alle twee in Frankrijk zitten zou dat ook weer een heel gedoe zijn. Dit voegde beter.
We hadden een paar campings gevonden en met behulp van Tom gingen we op weg. Helaas werden we daarbij in de weg gezeten door de Franse wegenbouwers. Die hadden de weg afgezet en verzaakt om een omleidingsroute te vermelden. Een soort déviation zonder déviation. Uiteindelijk kwamen we in de Bijlmer van Dijon terecht waar we nog een keer dezelfde grap meemaakten. Weg afgezet, op het laagste punt van een dalende weg en geen zijwegen. Ja, en daar sta je dan. Probeer maar eens 300 meter helling achteruit omhoog met een caravan te rijden. Dat valt niet mee. Gelukkig waren niet alle parkeerplekken aan de zijkant van de weg bezet dus ik redde het net om te keren maar het was kantje boord. Eigenlijk het verhaal van het haartje en het olifantenstaartje.
Andere camping gezocht. Viel mee, 11 kilometer verder. Werden we weer naar de afgezette weg geleid. Toen maar helemaal de andere kant op. Richting Auxois. Westelijk van Dijon. Waren we al eens eerder geweest. En hoewel het helemaal tegen mijn principe is om twee keer op dezelfde camping te staan heb ik er bij gebrek aan ander toch maar voor gekozen. Via de bushbush en achterafweggetjes kwamen we er uiteindelijk in Pouilly aan. Goedkope camping, rustig, je kunt er goed fietsen en dank zij de Super U in de buurt zal er ook nog wel lekkere betaalbare wijn beschikbaar zijn. Aan de voorwaarden was dus voldaan. Ja, iets dichter bij Dijon had gekund maar een kniesoor die daar op let. Ja, en daar staan we nu, aan de boorden van het Canal du Bourgogne, in afwachting wat komen gaat.
Een mail trok mijn aandacht vanmorgen. Anne. Ze had een aanvraagje gehad van Anne-Katrin of we nog plek hadden in het Guesthouse eind september. Natuurlijk. Altijd. De vakantie van mijn vader en moeder moet ook nog betaald worden dus komt u maar. Enne, ik weet niet of hij bij u in de buurt staat, maar wanneer u weet waar de fiets van mijn opa staat, wilt u die dan gelijk even mee deze kant op nemen? Iedereen blij, Duitsers, Anne en wij. Al met al was ik er even mee bezig toen ik in mijn ooghoek wat zag bewegen aan de andere kant van ons veldje.
Verdomd, het was Jan. Om kwart over zeven al bezig met het legen van zijn sanitaire compartiment. Nu weet ik niet of het komt uit valse schaamte of omdat er niets meer bij kon en er nog wat bij moest, ik vond het wel rijkelijk vroeg om dat te doen. Maar even naar buiten om een praatje te maken maar een echt antwoord op mij vraag kreeg ik niet. Zo belangrijk was het nu ook weer niet, het kwam zomaar in me op. Als poepen kan je wel zeggen.
Weer even terug naar de laptop want ja, zaken gaan voor het meisje, en toen dat afgehandeld was even naar de Super U voor zo’n geweldig meergranenbrood van een euro. Waar heb je dat nog, een meergranenbrood, gesneden, verpakt en vers geurend voor een euro. Bijna nergens. Ja, bij de Super U en dat trof, daar was ik net heen. Een kleine drie kwartier later weer terug en de thee stond al dampend op me te wachten. Na het eten even tijd voor sanitaire bezigheden van verschillende aard en daarna even gezamenlijk koffie drinken.
Wat zullen we doen? Fietsen? Prima idee volgens algemene stemmen. Een tochtje langs het kanaal van Bourgondië. Lekker weer en het fietst er leuk. Leuke plekken gezien en bij sluis nr. 8 hebben we bij Vanderesse, een plaatsje met een verdacht Vlaamse naam, even een bakkie gedaan. Even gevraagd om de toetjeskaart want er moest natuurlijk toch wel even wat bij. Op de kaart stond onder meer Tarttatin, de beroemde op zijn kop gebakken appeltaart. Omdat Neli niet helemaal van de appeltaart is koos die voor Profiterols, kleine soesjes, gevuld met slagroom. Smaakte prima.
Een anderhalve kilometer verder ligt Chateau Chateauneuf, vrij vertaald Kasteel het nieuwe kasteel. Wat een achterlijke naam. Net zoiets als het bord dat aan het begin van de bebouwde kom van Bergen staat. Bergen, gemeente Bergen. Dat slaat toch helemaal nergens op. Wanneer er Bergen gemeente Schoorl zou staan zou ik het nog een wel een beetje kunnen begrijpen maar Bergen gemeente Bergen is toch wel een beetje zinloze informatie.
Het kasteel ligt vrij tactisch, op een berg. Een schuine weg omhoog leidt er heen. Oorspronkelijk was de bijna onmogelijke weg bedoeld om vijandelijke troepen tegen te houden en, hoewel wij absoluut geen kwaad in het zin hadden, hadden ook onze stalen rossen er moeite mee. We bleven al hijgend op ongeveer een derde steken. Onverrichterzake en zelfs wat beschaamd zijn we afgedropen. Het zou ons onderweg nog een keer gebeuren. 15 % hellingshoek is, zelfs met elektrische ondersteuning, net even te veel voor ons.
Aan het eind van de middag nog even naar de markt in het dorp gelopen, een avondmarkt. Stelde niet zoveel voor maar was toch wel aardig. Wat biodynamische geitenkaas weten te bemachtigen wat in combinatie met een vers stokbrood en een paar blikken bier ons avondeten zou vormen. Het was een prima afsluiting van de dag. En zo zie je maar weer, een mens heeft niet zoveel nodig. We zijn eigenlijk als de fuchsia van Tante Klivia: een beetje mest, een beetje zon, hij doet het best op je balkon. We gedijen met weinig en, dit even vooral voor onze jongere lezers, hoe minder je krijgt hoe mooier je bloeit. En zo is het maar net.
Er hing nog een waas van mist over de velden toen ik vanmorgen aan mijn rondje begon. Ik was van plan om een rondje om het bassin te lopen, een kilometer of vier zou dat zijn. Ik zag het gisteren op een bordje staan toen we nog even een frisse neus gingen halen. De start lag bij de haven, hier een kilometertje vandaan. Zoals gezegd, het was vannacht flink mistig geweest, het gras was behoorlijk nat. Het pad waar naar ik verwezen werd liep over een dijkje. In geen maanden was daar gemaaid zo leek het, het gras reikte tot mijn kruis en soms nog hoger.
Al na twintig meter begon mijn broek natte plekken te vertonen. Nu ken ik lezers die dat aan mijn leeftijd zullen wijten maar zo was het niet. Ik ben man genoeg om het toe te geven wanneer het wel zo is. Nee, het kwam echt door de dauw. Na honderd meter was mijn broek doorweekt en na tweehonderd meter stond het sop in mijn schoenen. Gelukkig kruiste iets verder een weg de dijk en kon ik afslaan. Even een kleine aanpassing van de plannen moet je maar denken. Een soort van déviation, mooi over het asfalt terwijl de ochtendzon mijn broek weer droogde.
Net voor ik het dorp weer inkwam passeerde ik een kerk die helemaal in de steigers stond met daarachter een oude begraafplaats. Volgens de aanplakbiljetten moest de plek gerenoveerd worden zo had de gemeente besloten. Nieuwsgierig geworden ben ik even naar binnen geglipt en ik kon me er iets bij voorstellen. Ingezakte graven, scheve zerken, gebroken afdekstenen. Een chaotisch geheel maar in mijn ogen had het wel wat.
Verschillende teksten waren nog wel goed leesbaar. Mensen geboren rond de Franse revolutie en overleden in de eerste helft van de negentiende eeuw. En dan slaat mijn fantasie een beetje op hol. Hoe was het hier toen en hoe zag hun leven er uit. Ik vind zo’n plek altijd fascinerend. Jammer dat het verdwijnt. En wat een verschil met de plek waar de recentere graven liggen. Hier liggen de doden onder zulke dikke afdekstenen liggen of men bang is dat ze er weer uit zullen komen. En lastig ook wanneer je moet herrijzen, wil je overeind komen, ligt die steen boven op je kop.
Iets verder kwam ik weer in het centrum waar het leven weer op gang gekomen was. Dat was ook het geval op de camping. Op het moment dat ik de rits opendeed hoorde ik de waterkoker net afslaan. Een prima moment om weer binnen te komen. Na het ontbijt hebben we de voortent even aan de caravan gemaakt. Het ging nog niet helemaal soepel maar dat is ook niet verwonderlijk na drie keer.
Voor de rest was het een rustige dag. Om een uur of drie kwamen de medekampeerders aan. Koppie, biertje en even uit eten en vooral veel lullen. Was gezellig en het eten was goed. Al met al een weinig spannende dag maar wel weer één waarop we met volle tevredenheid op terug kunnen zien.
Afgelopen dagen had ik hem al een paar keer zien staan. Het bordje dat de richting aangaf naar het Circuit de la Madone. Dertienhonderd meter was het richting circuit. Een mooi loopje zo even voor het ontbijt zou je zeggen. Vanmorgen de stoute wandelschoenen aangetrokken en al snel had ik het bord bereikt. Vandaar zou het nog dertienhonderd meter zijn. Dat klopte ook maar men had even vergeten te vermelden dat het een helling van pakweg 10% was, 130 hoogtemeters moest ik maken.
Gelukkig was het koud en mistig weer vanmorgen want het was een warme klus. Zo’n twintig minuten later had ik de top van de ‘berg’ bereikt en volgde ik het pad naar het circuit. Even voor ik er was kwam ik een omheind grasveld tegen met een bankje waar je normaal gesproken, als het niet mistig was, een geweldig uitzicht zou hebben. Op het bankje een banaan naar binnen gewerkt en toen weer verder. Toen ik op het pad aangekomen zag ik dat er naast het bankje een groot wit bouwwerk stond wat me eerder niet opgevallen was. Jemig de pemig, dat was niet de Madonna van de verkrampte kuiten. Had ik die door de mist toch bijna gemist. Een tweede blik leerde me echter dat ik dan weinig gemist zou hebben want zo bijzonder was het niet.
Het wandelpad iets verder was wel leuk. Overal borden met informatie over de flora en de fauna en naambordjes bij de bomen en planten. Helaas waren de uitzichtplekken vandaag een overbodige bijkomstigheid. Door de mist was er weinig te zien maar ik kan me voorstellen dat je vanaf hier een geweldig uitzicht zou hebben. Het was een kort rondje, dus ik kon vrij snel weer aan de afdaling, via een bospad, beginnen. Dat ging allemaal een stuk eenvoudiger. Terug op de camping eerst even ontbeten en tijdens de evaluatie van de dag van gisteren ontstond het plan om nog maar eens een poging te wagen om het Chateau van Chateauneuf te bestormen. Dit keer niet met het Stalen Ros maar met de 85 Roemeense raspaardjes die onze Dacia onder de motorkap verborgen houdt.
Dat lukte beter. Vanaf de voet van de berg gingen we in één streep naar boven met een snelheid waarop menig roofridder jaloers geweest zou zijn. Overigens moet ik nog wel wat terugnemen. Gisteren stelde ik dat het toch wel een beetje een achterlijke naam was: het chateau van Chateauneuf maar achteraf gezien is dat niet zo. Boven op de berg ligt een dorpje met de naam Chateauneuf en daar is ook een kasteel. Het kasteel van Chateauneuf. Eigenlijk zoiets dat men in Nieuwerkerk aan de Amstel naar de kerk gaat. Dit betekent overigens niet dat de plaatsnaamborden van Bergen nu van alle blaam gezuiverd zijn.
Het is een leuk stadje, weer één uit het rijtje van de mooiste stadjes van Frankrijk. Wat galerietjes en eettentjes maar allemaal in het betamelijke. Geen schreeuwende reclames. Dat kan je overigens niet van de galeriehoudsters zeggen. We waren bij een expositie van bronswerken aan het kijken en werden vriendelijk ontvangen door de zuster van Eucalypta. Mooi werk had ze staan maar net iets te mooi voor onze portemonee. Ze was vriendelijk tot Jantiene een foto van één van de werkstukken maakte. Hoe haalde ze het in haar hoofd? Ik probeerde haar nog attenderen op het ontbreken van bordjes ‘Verboden te fotograferen’ maar dat had geen zin. We moesten toch gewoon begrijpen dat dit ongepast was. We lieten het maar voor wat het was en schouderophalend gingen we verder.
Leuk gewandeld en even geluncht bij Hostellerie du Chateau. Overigens was het wel fijn dat we nog een paar vakantiedagen in het verschiet hadden want het schoot niet echt op. Bijna twee uur verder verlieten we de tent weer maar eerlijk is eerlijk, goed gegeten. Een prima salade als entree, een soort gesouffleerde visdrol met gegratineerde kaas en garnalen geflankeerd door een huisgemaakte tagliatelle gelardeerd met wortel en zuchinni en een heerlijke mousse au chocolat toe.
Voldaan weer de auto ingestapt en onderweg nog even gekeken hoe men hier het open haardhout zaagt. Dat ging echt met vliegende gang, een cirkelzaag van pakweg een meter doorsnee, aangedreven door een trekker doet het werk en een Jakobsladder gooit de blokken zo in een aanhanger. Het ging als de brandweer. Na een toeristische route weer terug naar huis waar net de vier weer in de klok zat. Dat trof, tijd voor een biertje. Vanavond alle koelkastresten even verwerkt tot een smakelijke Salade Nicoise. Een maaltijd die echt niet onderdeed voor de lunch van vanmiddag. Vanavond nog even lekker met elkaar gezeten als afscheid van de Auxois. Morgen scheiden we wegen van Jan en Neli en ons weer en gaan we ieder weer ons weegs. Waarheen weten we nog niet maar we hopen dat het zo goed zal zijn als hier de afgelopen dagen.
Elkaar ontmoeten was een mooi intermezzo maar de zon was het uiteindelijke doel van de reis. Daarom namen we vandaag afscheid van Jan en Neli. Die hadden de pijlen gericht op Villard-les-Dombes. Wij daarentegen waren toch wel nieuwgierig geworden door hun verhalen van de Drôme en hadden besloten richting Orange te gaan. Goed weer en je kan er lekker fietsen hoorden we. Rond een uur of tien namen we afscheid van elkaar. Jan was iets eerder dan ons weg maar wij hoefden geen boodschappen meer te doen en konden zo weg.
Onderweg hebben we elkaar nog een paar keer gezien. De snelheden ontliepen elkaar niet zo erg en uiteindelijk hebben we elkaar iets voorbij Villard voor de laatste keer gedag gezegd. Het door Jan gekozen doel vond hij toch wat dichtbij dus hij ging maar even verder. Nog wel even besproken dat het misschien wel slim zou zijn om vandaag, zondag, voorbij Lyon te komen in verband met de drukte die hier normaal gesproken heerst.
Dat was maar goed ook want we werden links, rechts door Lyon gestuurd. Van de ene baan naar de andere, afslag links, afslag rechts, fly-over en een tunneltje en let op: blijf links volgen. Ik weet niet of ik er in de spits zo soepel doorheen gekomen was. Het duurde even maar uiteindelijk kwamen we Lyon uit en op dat moment kregen we een app dat Jan en Neli een camping gevonden hadden. Mooi moment voor ons om ook te gaan zoeken. We zaten net boven Vienne dus eerst die stad maar door en ons toen door de navigatie laten helpen.
We troffen het, zes kilometer verder was er een camping. Le Colombe, het duifje. Klonk te lief om te laten vliegen. Na heel veel kleine, smalle weggetjes kwamen we bij de ingang. Die was gebarricadeerd met drie op zijn kant liggende vuilcontainers terwijl de mannen die er bezig waren ons heel verbaasd aankeken. Het zag er weinig aantrekkelijk uit. Nou ja, dan de volgende maar. Een kilometer of vijf verder stond er nog één op het scherm, camping Beauséjour in Chanas.
Lag te midden van de boomgaarden. We zagen het eigenlijk al van verre. Allemaal mobilhomes, een soort stacaravans. Bij de receptie was de deur vast en het licht uit. Op naar de volgende, 12 kilometer de andere kant op: Camping Intercommunal de Beaurepair. COMPLET stond er op de poort. En naarmate de klok verder tikte zakte het humeur maar gelukkig was er 9 kilometer verder ook nog één. Le Temps Libre in Bougé-Chambalud.
We werden al opgevangen bij de poort. Dat zag er goed uit want even dacht ik dat ze blij waren met nieuwe gasten. Maar nee, helaas. Volgens zeggen er was een grote groep en kon er niets meer bij en voor de rest was alles Mobilhomes. Eigenlijk lieten ze gewone caravans niet meer toe. Tsjezus, dan had je die bordjes ook wel weg kunnen halen. Die bordjes met die drie sterren erop en dat vrolijke tentje met een leuk waaiend vlaggetje op de punt. Wat een klotezooi.
We begonnen een beetje het vertrouwen in de Tomtom te verliezen en dat mag je lezen als een understatement. Bij iedere camping die hij aanwees konden we niet terecht. Het was om depressief van te worden. Het zou een geweldig verhaal voor Hans Dorresteijn geweest zijn. Maar gelukkig hadden we de App nog, de ACSI app die Martine voor ons gewonnen had. Die stuurde ons nog weer een keer zeven kilometer verder. Ik vertrouwde dit eigenlijk ook niet helemaal want toen hij zei dat we er waren zagen we weer niets.
Gelukkig vonden we vijftig meter verder tussen het groen de ingang. Verstopt tussen bamboebosjes en struikgewas. Naast de 53 stacaravans had hij ook nog 6 staplaatsen en wanneer we wilden konden we ze allemaal wel krijgen. Het was wel een ouwe zooi maar het sanitair was schoon en er was stroom en een buitengewoon aardige eigenaar. Wat een opluchting Toen de caravan op zijn plek stond nam ik een sinasprilletje en een glaasje karnemelk en trok ik weer helemaal bij. Ik schreef het een paar dagen geleden al, je hebt niet zoveel nodig om gelukkig te zijn. Een beetje geluk is voldoende.
Het zal zo’n veertig jaar geleden zijn dat men in Frankrijk een netwerk voor hogesnelheidstreinen aan ging leggen. Een heel nieuw spoorwegnetwerk werd er voor aangelegd. Dit moest wel want met 300 km per uur kan je moeilijk haaks door de bocht. Hoe groter de snelheid, hoe groter de bocht. Daarom kan een fiets bijvoorbeeld ook krapper keren dan een Jumbojet. Het werden dus zo recht mogelijk parcoursen. Miljoenen, zo niet miljarden zijn er in geinvesteerd. Dat lijkt wel veel maar we hebben het hier over de Franse frank die indertijd niet zoveel waard was. Er gingen er drie in een gulden waarvan er weer 2.1 in een euro gingen.
De TGV, Train Grande Vitesse verbond alle grote steden met elkaar en reed met een alle jezussegang, door Frankrijk. Een vooruitgang van jewelste want het ging sneller dan met de auto en zelfs sneller dan met het vliegtuig. Dat kwam omdat de treinen in de centra van de grote steden aankwamen en de vliegtuigen ver erbuiten. Dat landt namelijk wat makkelijker. Een geweldige vooruitgang dus en iedereen blij zou je dus zeggen. Nou ja, bijna iedereen. Ik was er niet zo blij mee. Tot aan gisteren viel het wel mee maar gisteren kwam de omslag. Het bleek namelijk dat Camping Les Avéniers in Manthes praktisch aan de spoorlijn lag. Wanneer de bielzen 10 centimeter breder geweest waren had de lijn over de camping gelopen. En dat is niet zo erg, het feit de TGV redelijk succesvol is maakt dat er iedere 7 minuten een trein met donderend geraas over het traject dendert, is het niet naar het noorden, dan is het wel naar het zuiden.
Nou ja, we mochten evengoed niet klagen. We waren blij dat we een plekje hadden en dat er dubbel glas in onze ramen zit. Ondanks alle geraas toch wel goed geslapen. Vanmorgen weer even een wandelingetje en daarbij werd wel duidelijk dat dit toch niet het gebied was waar we onze vakantie door wilden brengen. Rond een uur of half elf van de camping af en op weg naar het zuiden. We hadden een adres van een camping van Neli gehad. Richting Orange – Avignon. In de Drôme, altijd mooi weer en een goede omgeving om te fietsen.
Nu was het fietsen van de week een beetje op een debacle uitgelopen dus een ritje zonder bergen zou wel fijn zijn. Ik had gisteren al geprobeerd om een plek op de camping te reserveren maar dat lukte niet omdat ik de pin van mijn creditcard even kwijt was maar gelukkig waren er nog volop plaatsen beschikbaar. De keuze was reuze kan je wel zeggen. Wat later kwam ik er achter wat de pin ook alweer was maar toen ik op dat moment probeerde te boeken waren opeens alle plekken vol. Voor de dag daarop kon je weer volop boeken. Verdorie, hoe kan dat nou weer. Ben ik nou gek? Was iemand me voor geweest? Ik kon het me niet voorstellen. Ik snapte er geen jota van.
Achteraf bleek dat ik niet helemaal gek was. De eerste keer dat ik probeerde was het zondagavond tien voor twaalf, de tweede poging deed ik om vijf over twaalf, kalendertechnisch gezien een dag later. Besloten om ’s ochtends maar even te bellen en ja hoor, plek volop. ‘Kom maar hier heen en zoek maar wat uit. Reserveren? Nee hoor, absoluut niet nodig. Tot straks!’ Een hele geruststelling. Dat gesodemieter van gisteren lag me nog vers in het geheugen, daar zat ik niet voor een tweede keer op te wachten.
Als gevolg van onze zoektocht van gisteren waren we wel wat afgeweken van onze route en werden we eerst door de bergen geleid alvorens we weer op de oude vertrouwde weg terecht kwamen. De eerste veertig kilometer duurde zeker een uur. Voor de rest ging het allemaal wel voorspoedig. We zouden volgens de navigatie zo rond een uur of vier aankomen. Zo rond een uur of drie kreeg Jantiene een Appie. Neli. ‘Je raadt nooit waar we staan, in Tulette.’ Dus Jantiene appte terug ‘En je raadt nooit waar wij naar toe op weg zijn, naar Tulette.’ Een beetje zon leek hun ook wel wat en ze waren wat minder van de route afgeweken. Dat was wel lekker, Jan kon lekker vroeg de camper aan de stoom hangen zodat het bier koud was toen wij aan kwamen. De plek die we gekozen hadden was ook prima ware het niet dat de takken van de eikenboom op het emplacement net iets lager hingen dan het dak van de caravan. We moesten dus nog even tuinieren met de geleende snoeischaar op onze vrije dag.
Het was overigens een geweldig mooie route hierheen. Tussen de wijngaarden en akkers met zonnebloemen heen, langs lavendelvelden en, nieuw voor ons, velden met quinoa, het Zuidamerikaanse superfood. Wordt verkocht als powerfood uit de Andes maar komt gewoon uit de Franse prut omhoog. Je komt er bijna even bedrogen mee uit als dat wanneer je een rustige camping op het Franse platteland hebt weten te vinden.
Het was weer een korte nacht, vroeg wakker. Nou ja, echt de eerste was ik niet. Toen ik de deur opendeed zag ik een man langs lopen met een toiletrol onder zijn arm. Aan zijn vrolijke zwaaien zou je af kunnen leiden dat hij succesvol een bezoek aan de loosplek gebracht had maar dan liep hij de toch de verkeerde kant op. Ach, Onze Lieve Heer heeft rare kostgangers moet je maar denken.
Ik had gelezen dat de bakker om half acht openging. Een aardig stukje lopen was het dus ik zou niet aan de vaste deur staan wanneer ik om een uur of zeven de deur uit zou gaan. Er stond een koude harde wind. Mistral. Een wind uit het binnenland die meestal een dag of vier, vijf duurt. Gisteren waaide het ook al zo. Ongeveer een kilometer onderweg was ik toen de zon op kwam. Ineens klom hij boven de bergen uit en liet het licht in alle hevigheid schijnen. Het is hier niet zo dat de zon gewoon opkomt, hij is al een tijdje aan het schijnen voor hij zichtbaar wordt. Het moment van zachte schemer ontbreekt hier.
Een mooie wandeling, een hoop te zien. Ook de bakker was een openbaring. Een geweldig mooie zaak met een groot assortiment. Het brood van de Aldi mag dan goedkoop zijn, de zaak mist toch wel de ambiance van een echte bakker. Voor de rest een rustige ochtend. ’s Middags wezen fietsen naar Tulette. Voor het dorp hoef je deze kant niet op, dat viel wat tegen. Ongetwijfeld zijn er in de omgeving wat interessanter plekken te vinden. Om de paar kilometer ligt er weer een andere plaats. Dat gaan we deze week ongetwijfeld ontdekken.
Vanavond mosselen gegeten. Dat kan hier één keer per week op de camping maar je moet er even voor inschrijven. Omdat we bij de late inschrijvers behoorden moesten we al vroeg aan tafel, er was weinig keus meer wat tijden betrof. Half zeven werd het. Vriendelijk werden we naar ons tafeltje begeleid. Aan het tafeltje naast ons zat een stel waarvan ik onmogelijk de leeftijd kon schatten. Volgens hun eigen zeggen waren ze al pensionados.
Het was een wonderlijk gesprek dat ze met elkaar voerden. Een soort opmerking en bevestiging over en weer. Eigenlijk was het geen gesprek. ‘Ja, en op die markt hadden ze heel mooi aardewerk’. ‘Ja, ik vond ook wel dat er mooi aardewerk was.’ ‘Ik vind wel dat het hier hard waait.’ ‘Ja, het waait hier wel erg hard.’ ‘Ik denk dat het de mistral is, die duurt een paar dagen.’ ‘Ja, de mistral gaat meestal na een paar dagen liggen.’ ‘Ja, en dan stopt het met waaien.’ ‘Ja, dan gaat de wind weer liggen.’…. en zo ging het maar door.
Uiteindelijk hadden ze ons te pakken en ging het gesprek onze kant op. Waar we vandaan kwamen. Ja, de kop van Noord-Holland. Ja, en daar kwamen ze ook vaak. Dit jaar waren ze al twee keer in Schoorl geweest. En in Bakkum, daar hadden ze ook al twee keer gestaan. ‘Ja, en onze zoon die woont aan de rand van Sint Pancras en daar gaan we ook vaak heen. En er blijft geen camping meer over in die omgeving want alles wordt overgenomen door die grote parken. En we zijn hier dit jaar al voor de derde keer’. Dus mijn vraag of ze nog iets anders deden als vakantie vieren en dat bleek niet het geval te zijn. ‘Je moet het pakken zolang het kan’, zei hij en dat was eigenlijk de eerste zin met inhoud die uit zijn mond kwam
Toen kwam het gesprek nog even op de Corona. ‘Ja,’ zei hij, ‘en in een gewoon jaar gaan er wel 9000 mensen dood aan de griep en afgelopen jaar waren dat er wel 18.000.’ Ik antwoordde dat ik dat toch wel mee vond vallen, nog geen 1 op 1000. Oversteken op het zebrapad is bijna gevaarlijker. Nou, hij had het ook gehad hoor, en hij was blij dat hij het had overleefd. Daar waren de meningen even over verdeeld maar ik heb mijn idee daarover maar niet wereldkundig gemaakt. Eigenlijk wel jammer want dat zou direct een einde aan het geneuzel gesprek hebben gemaakt. Ik was blij toen het ijs bij hen op tafel gezet werd. Eindelijk was het weer even stil en konden we de mistral weer door de bomen horen waaien.
Markt in Valréas. Niet aan twijfelen, daar moet je heen. Gelukkig was ik op tijd en kon ik nog een rondje maken om het naamloze meer dat hier een kleine kilometer vandaan ligt. In een ander departement weliswaar maar toch. Het schijnt een soort vissersmeertje te zijn. Ik denk dat de vissen nog sliepen want de vissers hadden niet de moeite genomen om er uit te komen. Had ik misschien beter ook niet kunnen doen. Rond een uur of half negen Jantiene wakker gemaakt want ja, Valréas zat al op ons te wachten. Koppie thee, bakkie yoghurt, nat washandje en op pad. We waren er mooi op tijd. Even zoeken naar de markt maar we vonden het en wonder boven wonder, ook een parkeerplek. Gratis zelfs, wie had dat durven dromen.
Vanaf de plek waar we stonden liep je eigenlijk direct de markt op. Of eigenlijk de souk want de markt had een hoog Noord-Afrikaans karakter, tenminste het gedeelte waar we startten. Op zich niet erg want dat is altijd lekker goedkoop en je kunt er ook altijd nog afdingen. Het was al aardig warm en dat was in het voordeel van de eerste Somaliër die we tegenkwamen. Hij had niet alleen leren tassen en riemen maar ook hoeden en petten. Drie hoeden voor 20 euro, ik was wel tevreden over de deal. Ik denk van hij ook want hij bedankte ons uitbundig. Verder bestond dit gedeelte van de markt voor een groot gedeelte uit kledingstallen en kruidenhandelaren. Ras el hanout, kaftans, komijn en djebella’s waren rijkelijk vertegenwoordigd.
Iets verderop was het eetgedeelte. Met jawel, de gebraden kippen en de aardappelen die in het vet gegaard waren, leuke groentestallen, de lokale kaasboer, de visboer die je al van verre rook en natuurlijk de worstenkraam. Ik vind het altijd heerlijk, de geuren, geluiden, opgewonden bewegingen en alle onzin die er bij hoort. En natuurlijk trappen we er ieder keer weer in. We nemen meer mee dan nodig is en achteraf denk je: ‘Wat moet ik met die troep.’ Maar dat is niet erg. Er is altijd wel iemand blij met de verkoop: de koper, de verkoper en in een zeldzaam geval alle twee.
We hadden een mooie ochtend maar na zo’n anderhalf uur hadden we het wel een beetje bekeken en zijn we naar Orange gegaan. Orange, eigenlijk moet iedere rechtgeaarde lezer van het blad ‘Vorsten’ daar wel een keer geweest zijn. Nu krijgen wij af en toe het blad van Oma tussen het oude papier dus ja, we moesten wel. Orange, naamgever van het huis van Oranje, tussen 1533 en 1713 onderdeel van de Republiek der Verenigde Nederlanden en de reden dat we ons tijdens het WK nog steeds in die achterlijke oranje kleding hullen. Er is echter geen Hollander die zich erover verbaast. Deze feiten zijn in Orange echter wel bekend en daarom vertaalt men alle info in het Nederlands. De verbazing voor de gemiddelde Vorstenlezer komt pas wanneer men in de rest van Frankrijk geen Nederlandse vertalingen bij de VVV meer vindt.
Verder zaten we even te denken: misschien had Willem hier beter een vakantiehuisje kunnen kopen in plaats van in Griekenland. Historisch gezien toch beter op zijn plaats, met de Grieken hebben we weinig gehad behalve dat we er miljarden heen gesluisd hebben. Ik zag hier bij de makelaar al heel leuke pandjes voor rond de tweeëneenhalve ton. Dan had hij toch snel een ton of vijftien meer aan zijn bootje uit kunnen geven en had je niemand horen klagen dat hij met het regeringsvliegtuig op pad ging. Dan ga je gewoon met de Koninklijke trein, die kan hier bijna voor de deur stoppen.
De auto raakten we gemakkelijk kwijt. Tussen 12 en 2 was het gratis parkeren. Waarschijnlijk omdat de parkeercontroleurs dan toch liggen te pitten maar na twee uur was het weer betalen geblazen. Het was inmiddels al tegen half één dus eerst maar even lunchen en daarna zouden we de parkeermeter wel weer even vullen. Tentje gezocht. Lekker een Caesar salad en een bordje inktvis met warme groenten. Prima gegeten. Gelukkig liep de bediening niet zo snel zodat het al bijna twee uur was toen we weer bij de meter aankwamen. Even twee uur bijgeboekt en toen de stad in.
Orange is bekender dan dat het groot is. 39.000 inwoners is niet echt veel. Ik denk dat er in Langedijk meer mensen wonen. De oude kern is dan ook klein. Ik ben er vroeger al een keer geweest. Ik denk dat ik een jaar of 20 was. Met de motor naar Spanje. Natuurlijk over de routes Nationales want we hadden natuurlijk geen cent te makken Ik kan me de triomfboog nog herinneren maar voor mijn idee zag de arena er heel anders uit. Het was wel zo dat in de tussentijd de hele boel gerenoveerd is dus misschien heb ik wel gelijk. Maar misschien verwar ik het wel met de arena van Fréjus waar ik indertijd stierengevechten bezocht heb en er direct klaar mee was.
Twee uur, blafheet en de meeste winkels nog dicht. Je kon het natuurlijk verwachten. De binnenstad leefde nog niet echt. Het was voor ons een beetje een teleurstelling. Daarbij kwam nog dat het kleiner was als dat ik dacht. Na twee uur hadden we alles wel een beetje gezien. Terug naar huis dus. En daar was het ook heet. Met iedereen de we kenden, en dat zijn er inmiddels nogal wat, geklaagd over de warmte en waaide de mistral nog maar en daarna een biertje en naar het zwembad. Gelukkig werd het aan het einde van de middag een stuk aangenamer en hebben we een lekkere avond gehad. Weinig spannende dingen beleefd vandaag maar het was toch wel een leuke dag. Wanneer de rest van de komende tijd ook zo is hoor je mij niet klagen.
Het is een kale puist in het landschap. Iedereen kent hem wel van de tochten naar de Middellandse Zee. Aan de oostkant verschijnt hij en wordt hij ook aan de kant van de snelweg vermeldt: De Mont Ventoux. Geliefd bij wielerliefhebbers, gevreesd door hen die hem moeten beklimmen. We zitten er hier relatief dichtbij, hij ligt zo’n 35 kilometer verderop dus wat let je. Er heen!
We hebben de fietsen gepakt en die onder de luifel gezet zodat ze droog zouden blijven wanneer het zou gaan regenen en zijn in de auto gestapt. Het is namelijk goed om je eigen grenzen te kennen en deze heuvel is toch wel een maatje te groot voor ons. Het is een mooie rit er heen. Je volgt voor een gedeelte de Route de Vin de Cotes du Rhone, de plaatselijke wijnroute. Verschillende keren gestopt om van het uitzicht te genieten.
Rond een uur of twaalf in Vaison-la-Romaine en even gestopt om te eten. Een mooi stadje, en het eten was ook goed. Galettes. Mooie grote boekweitpannenkoeken met allerlei soorten vullingen. Opmerkelijk, bij de ene zaak zit niemand, de andere zit afgeladen vol Je kiest natuurlijk voor het volle terras omdat je er van uit gaat dat het daar het beste is. Naar je idee zitten daar veel lokale mensen te eten maar ik denk dat dat alleen het bedienend personeel is. Het frans dat gesproken wordt komt ook voornamelijk van hen. Ja, op het gebrabbel van de toeristen na dan maar dat is gemakkelijk te onderscheiden.
Naast ons zat zo’n stel. Ik kon ze niet verstaan maar aan de lichaamshouding en de gezichtsuitdrukkingen kon je de lijn van het gesprek wel volgen. Ik krijg altijd een beeld bij situaties als deze. Hij oogde als een gewone, wat bedeesde man. Een kantoormannetje. Zo een die opdrachten kreeg en niet uitdeelde. Die ’s morgens met zijn oude schooltas aan de hand naar kantoor ging. Schoenen gepoetst en altijd dezelfde stropdas. Twee sneetjes met pindakaas en een appeltje voor de vitamientjes mee. Thee kreeg hij daar. Stipt vijf voor negen op kantoor en niet voor vijven weg.
Zijn vrouw had hij ontmoet op catechisatie. Daar moest hij heen van zijn ouders. Ze zag er altijd leuk uit en ze droeg altijd van die leuke jurkjes. Rok net onder de knie en witte sokjes, gewoon netjes. Ze trouwden, vooral omdat zijn moeder het zo’n leuk meisje vond en pa zei dat haar vader zo’n goede functie had. Hij wilde ze niet teleurstellen. Maar terwijl zijn carrière niet groeide, groeide zij wel. Tegen de klippen op tot het de vleeshomp werd die achter ons op het bistrostoeltje zat op het terras in Vaison. Zijn baas had hij ingeruild voor een nieuwe. Nou ja, ingeruild, zij had de functie gedurende hun huwelijk overgenomen.
‘Neem nou ook een galette Henk, die zijn lekker’. Hij sputterde nog licht tegen terwijl zij bestelde van wat ze dacht dat hij wel lustte. Ondertussen krabte hij aan zijn enkel. ‘Wat is er Henk? Ben je gestoken? Daar heb ik wat voor’. Ze zocht in de tas die groot genoeg was om de hele kampeeruitrusting in op te bergen. Iets later klaarde haar gezicht op. Ze had het gevonden. Tussen haar worstvingers hield ze een klein rood stiftje geklemd. ‘Kijk Henk, ditt is goed tegen de jeuk. Smeer het er maar op’. ‘Maar het valt best wel mee’, zei Henk. ‘Nee. Smeer het er maar op, het is van dokter Vogel. Dan heb je geen last meer van de jeuk’. ‘Maar het jeukt helemaal niet zo erg’. ‘Smeer het er maar op zeg ik je toch!’ En daar ging Henk. Getrouw haalde hij het dopje van het stiftje en smeerde er een of ander homeopathisch wondermiddel op. Getrouw maar teleurgesteld in zichzelf. Zijn gezicht sprak boekdelen. Ach, nog even Henk. Het einde is in zicht. De gemiddelde Nederlandse man wordt 86 jaar dus nog zo’n zeventien, achttien jaar, dat red je.
We rekenden af en lieten ze achter. Op naar de Ventoux. We namen de westelijke helling, door de bossen naar boven. Een beklimming van een kleine twintig kilometer. De haarspeldbochten regen zich aaneen en langzaam kropen we naar boven. Vier procent, vijf procent, elf procent. We hadden er geen moeite mee. De fietsers die we inhaalden aanvankelijk ook nog niet maar naarmate we de top naderden ging bij hen de gang eruit. Op de laatste paar kilometers zagen we er meer lopen dan fietsen maar pétje af hoor. Wat een martelgang. Dan moet je ook goed niet van je zelf houden wanneer je dat doet. Maar ik kan me de voldoening voorstellen wanneer je boven komt. Het was nog een klein stukje. Het bos veranderde in de berg zoals we hem kennen van de beelden van de Tour. Kaal. Stenen. Koud en winderig. Op de top hebben we een plekje gezocht voor de auto. En, hoewel ik de handrem wel vertrouw heb ik toch even een steen voor het voorwiel gelegd. Je weet maar nooit.
Het was er koud en het regende licht. Geen weer om er te blijven maar ja, je hebt je nu eenmaal de moeite getroost om naar boven te rijden dus toch maar even rondkijken. Er was net een wandelchallenge aan de gang. Een Belgische sponsorwandeltocht van Kom op tegen kanker. De deelnemers kwamen huilend over de streep. Een mooi en ontroerend plaatje. Zo erg dat we helemaal vergeten zijn om het vast te leggen.
We zijn niet lang gebleven. Langs de kale kant, het maanlandschap naar beneden. Dat ging een stuk makkelijker. We raakten nog verstrikt in een kudde schapen. Een stel wielrenners trouwens ook, die hadden er wat meer moeite mee dan wij. Moesten afstappen om niet om te vallen. ‘Kutschapen’ hoorde ik nog roepen. Langzaamaan weer naar ‘huis’. Vijf uur was het inmiddels. Gelukkig was de maaltijd in Vaison toereikend geweest en hoefden we niet meer te koken. Later, zittend aan een mooie 1667 bij de buren moest ik onwillekeurig nog even aan Henk denken. ‘Je kan het toch een stuk slechter treffen dan ik’, dacht ik bij mezelf.
We zijn alweer een dag of tien op pad en dat betekent dat er rond deze dag een schaarste aan onderbroeken begint te ontstaan. Nu zijn de meeste campings uitgerust met een wasmachine dus dat is geen probleem. Alleen, 1 wasmachine op zo’n 100 plaatsen… zorgen dat je erbij bent dus. Nou dat was ik, om zeven uur draaide de was vrolijk voor het raampje, om kwart voor acht kon het uit de machine en rond acht uur hing het aan de lijn.
In de caravan was nog geen teken van leven te vernemen. Gelukkig maar. Ik had namelijk nog iets te doen. Ik kon natuurlijk gisteravond niet tegelijkertijd aan een biertje zitten en de blog schrijven. Dat moest dus vanmorgen. Ik had volop inspiratie, koppie thee erbij dus het was een prima ochtend. Tegen de tijd dat Jantiene haar bed uit kwam was net de was droog. Dat trof ze dus. Kon ze het gelijk opruimen.
Vanmiddag een stukje wezen fietsen. We hadden een routebeschrijving bij de receptie gekregen maar dat was wat onduidelijk. Waarschijnlijk was het de 27-ste kopie van een kopie en ik kan je zeggen dat wanneer je iedere keer een kopie van een kopie maakt de kwaliteit er niet beter op wordt. Met moeite kon je net de plaatsnamen onderscheiden maar dat kwam omdat ze er ooit met stift bij geschreven waren. Toch maar op pad want met wat hulp van Google moet het toch lukken.
Al in de eerste kilometer waren we van het padje. Dat was op zich niet zo erg maar het begon ook zachtjes te regenen. Er was hemelwater voorspeld maar we gokten het er op. Erger dan onze vakantie dit voorjaar kon het eigenlijk niet worden. Maar de druppels werden allengs groter en namen een zodanig formaat aan de we halverwege de tocht, of eigenlijk wat we dachten dat halverwege was, de wegwijzer Tulette volgden.
Onderweg nog even gestopt bij een watermolen. We dachten misschien even een koppie halen maar dat was zo’n desolate plek dat we er snel weer vandaan gingen. Voor we de weg op konden moesten we even wachten want wie kwamen daar in volle vaart de heuvel af suizen? Jawel, de Mosselman en zijn vrouw. Het stel dat naast ons zat bij de mosselavond. Hij had even een goede dag denk ik. ‘Hallooohoo’ en ‘joehoe’ riepen ze en vrolijk zwaaiend reden ze langs. We hielden even in om ze een voorsprong te geven want ik had nu niet echt een behoefte aan een voortzetting van het gesprek van eerder deze week.
Doorweekt kwamen we op de camping aan. We waren blij dat iemand zo lief geweest om de was die nog aan de lijn hing binnen te hangen. Gelukkig was het rek niet vol, we konden onze vodden er zo, druipend en wel, bij hangen. Ja voor de rest eigenlijk geen nieuws. Maar even het boek van Tom Clancy ter hand genomen. Ik had het van de week meegenomen bij de receptie vandaan maar er nog geen letter in gelezen. Dat kon nu terwijl de regen op de luifel tikte. Even niets dus. En dat is soms ook wel lekker.
Gelukkig waren de regenwolken van gisteren vanmorgen verdwenen. Een strakblauwe lucht zag ik toen ik vanmorgen de caravandeur opendeed. Wel was het nog wat fris. Het water dat gisteren gevallen was koelde de wereld om ons heen maar dat zou spoedig veranderen. Vanmorgen hoorden we dat er markt was in Sainte-Cécile-des-Vignes, een plaatsje hier zo’n zes, zeven kilometer verderop. Een behoorlijke markt te zijn. Omdat we vanmorgen toch nog niets op het programma hadden staan leek het ons wel een goed idee om even die kant op te fietsen.
De weg kenden we al. Gisteren waren we er ook al geweest tijdens ons natte uitje. Twintig minuten fietsen. De markt was in het centrum, we hoefden niet te zoeken. Fietsen aan de eerste de beste lantaarnpaal vastgezet tussen alle andere elektro-vélocypèdes, eigendom van alle pensionados die hier nog even willen genieten van het naseizoen. En gelijk hebben ze.
Inderdaad, het was een flinke markt. In tegenstelling tot de vorige markt liep iedereen hier wel met mondkapjes. Wanneer je dat niet deed voelde je als soort van outcast. We hebben er zeker zo’n twee uur rondgelopen en ons geen ogenblik verveeld. Maar rond een uur of half twaalf, twaalf uur houden hier de markten op. De kooplieden beginnen hun spullen weer in te laden en om half één is het of er nooit iets gebeurd is. Wij waren voor die tijd al weg.
Nog even een rondje op de fiets. De nieuwe batterij moet je drie keer helemaal leegrijden schijnt het. Dat komt de levensduur en de tijd van opladen ten goede. Dit was keer twee. Hij was al voor 80 procent leeg maar ja, die laatste 20 procent moet ook nog even. Slingertje naar links, slingertje naar rechts en uiteindelijk met de hoogste ondersteuning en het licht aan richting camping. Toen we daar aankwamen brandde er nog één streepje. Helaas weet je nooit hoeveel er nog in zit. Die heb ik vanmiddag even weggereden. Dat bleek niet zoveel te zijn. Na een kilometer of 2 begon opeens de display te knipperen en hield de ondersteuning er mee op. En daarna gaat het niet zo licht meer. Of je een slee door het grind moet trekken, zo voelt het.
Voor de rest hebben we de hele middag in volledige ledigheid doorgebracht. Lekker gezeten met een boek, niets bijzonders maar wel ontspannend. Vanavond een etentje. We waren uitgenodigd door Jan. Hij mocht er weer een keer een jaar bijtellen. Ik weet eigenlijk niet eens hoe oud hij werd maar op onze leeftijd doet dat er niet zo veel meer toe. Kwaliteit telt meer want hoe je het ook wendt of keert, wij komen zo langzamerhand ook in de buurt van het laatste streepje.
We zaten op het terras van het restaurant samen met een stel andere kennissen. Prima gegeten en met gezellige gesprekken. Een onderhoudende avond. En morgen, dat zien we dan wel weer. Misschien 'doen' we nog even een kerkje, wie weet. Het is dan per slot van rekening zondag.
We hebben een extra dag vandaag hier op de camping. Eigenlijk was het de bedoeling om vandaag te vertrekken maar vanwege het etentje van Jan hebben we het een dag uitgesteld. Je weet namelijk nooit hoe het gaat lopen. Meestal doet de brouwer goede zaken wanneer we bij elkaar zijn en dat is niet bevorderlijk voor de conditie van de dag daarop. Maar het viel mee. We hielden het beschaafd en konden vanmorgen zonder al te veel moeite het bed uitkomen.
Vanmorgen zouden even de voortent van de caravan af halen en de bagageruimtes opnieuw in ruimen. Dat scheelt morgen weer wat werk. Echt opschieten deed het niet want de buren zijn op zoek naar een nieuwe caravan en kwamen even bij ons kijken. Gezellige lui, we hebben de afgelopen week al regelmatig contact met ze gehad. Komen uit Benningbroek. ‘Ah, jullie weten vast niet waar dat ligt’. Maar helaas, dat wisten we wel, we hadden zelfs gezamenlijke kennissen. Direct dikke mik.
Al met al schoot het allemaal geen donder op en om half twaalf stonden we nog met die tent in ons handen en inmiddels vloog het kwik omhoog. Met opgewekte tegenzin even doorgezet en om twaalf uur konden we eten. Niet alles is klaar maar dat zien we morgen dan wel weer.
Grignan was het doel voor vanmiddag. Het is er weer één. Eén uit de lijst van de 101 mooiste plaatsjes van Frankrijk. Ik ben benieuwd of we al over de helft zijn. Moet toch al opschieten zou je bijna zeggen. Een leuk dorp maar wat stil. Maar ja, wat wil je. De thermometer gaf 39 graden aan en we waren er om een uur of twee. De hele wereld, althans de Franse wereld, ligt dan nog op één oor. Begrijpelijk want het is te heet om je uit te sloven.
Het was een leuk stadje, totaal autovrij. Dat kon ook bijna niet anders want de straten waren te smal voor een auto. We vroegen ons dan ook af hoe dat zou moeten wanneer er een ambulance het dorp in moest. Maar ja, dat is een beetje hun probleem. Toch wel genoten van de rust en het rustieke karakter van het stadje. Rustiek. Dat is een gevleugelde uitspraak bij ons. Zo noemen we iets wat een beetje mislukt is. Scheve straatstenen, een spijker scheef in een plank, een slecht geverfde deur en zo zijn er nog wel 100 dingen op te noemen. Maar hier was rustiek echt rustiek volgens Van Dale: landelijk eenvoudig en in zijn oorspronkelijke staat gehouden. Nou ja, dan hebben we het toch een beetje over hetzelfde.
Om 4 uur 44 reden we de camping weer op. Precies op tijd voor een afscheidsborrel met Jan en Neli. We hebben de afspraak dat je pas aan de drank mag wanneer de vier in de klok zit. Gelukkig gebeurt dat ieder uur wel een keer maar 16 voor 5 is wel een uitgelezen moment. Een hele gezellige middag en avond gehad. De dames hebben nog even gezamenlijk een maaltijd in elkaar gezet, Jan zou de afwas doen en ik zorgde ervoor dat wanneer het bier op was er weer volle blikken op tafel kwamen. Zo waren de taken toch weer goed verdeeld.
Het was niet vroeg. Geen punt want we hebben geen haast. De ergste bende is al opgeruimd en we hebben niet het plan om ver te rijden. Waar het mooi is stoppen we gewoon weer. En we blijven op deze breedtegraad want hier is het tenminste mooi weer.
Avignon is onze nieuwe standplaats. We zijn vanmorgen uit Turelle vertrokken. Rustig aan de boel ingepakt en van iedereen afscheid genomen. Het was zo gezellig dat ik nog even overwoog om de voortent maar weer op te zetten en nog een paar dagen te blijven maar het besluit was genomen.
Rustig aan deze kant op gereden. Anderhalf uur deden we erover, het was 84 kilometer. En om één uur stond alles weer zoals het staan moest. Luifeltje voor de hut, stoelen bij het tafeltje, stekker in het stopcontact, kortom, we waren gewoon klaar. Vanmiddag even boodschappen gedaan bij een Mega Leclerc, zo groot zie je ze zelden. Helaas hadden was het assortiment beperkt want ze geen Kronenbourg in blik dus moest ik even overstappen op een ander merk.
Later hebben we nog een wandeling langs de Rhone gemaakt en verder hebben we eigenlijk weinig gedaan. Ja, wanneer je het koken van een pan spaghetti buiten beschouwing laat. Verhuisdagen brengen eigenlijk nooit zoveel nieuws.
De camping ligt fantastisch, we hebben een geweldig uitzicht over de stad en ik denk dat het 10 minuten lopen is eer we er zijn. Beter kan het eigenlijk niet. Morgen gaan we er heen. Waarschijnlijk, en hopelijk, hebben we dan iets meer te melden dan vandaag. Het spijt me maar het is niet anders. Tot morgen.
We hebben een hoop steden bezocht maar het mag gezegd worden, Avignon krijgt zeker een plekje in de top vijf. Wat een interessante, boeiende maar vooral ook leuke stad. Maar laten we bij het begin beginnen. We hadden ons gisteren voorgenomen om de stad te gaan bezoeken. Rustig aan, je hoeft niet om negen uur ’s ochtends in een stad rond te banjeren, dan leeft het nog niet. Vanochtend eerst maar naar de bakker die tot mijn verdriet dinsdagochtend gesloten is. Dan maar even brood gehaald bij het winkeltje op de camping. Dat had ik beter niet kunnen doen. Het leek wel op brood van gisteren dat ze de hele nacht in de koelkast hadden bewaard. Niet te vreten. Zo slecht heb ik het tijdens al mijn Franse bezoeken nog niet meegemaakt.
Niet getreurd. Aan de overkant van de rivier is ongetwijfeld ook wel wat te krijgen. Met een foldertje van de receptie als routeplanner in de hand naar de andere kant van de Rhône. De oude stad is nog helemaal door stadsmuren omringd dus even een gat in de muur zoeken en naar binnen. Daar werden we bijna ondersteboven door zo’n toeristentreintje. Volgeladen met grijze gerimpelde gepensioneerden racen ze de stad door, de één na de ander. Opgepast dus want op de plekken waar jij staat te kijken komen zij ook net altijd.
Het was al warm, zo rond een uur of tien, half elf. Vandaar dat we de koelte zochten en in de schaduw bleven. Die bracht ons naar de vroegere hoofdpoort die aansluit op de brug van Avignon, je weet wel van dat liedje. Van de brug is nog slechts een restant over. Oorspronkelijk bestond hij uit 22 bogen, er zijn er nog vier over. Er is een museum bij en je kunt de brug ook bezoeken tegen een vergoeding. We stonden er voor om het te doen maar voor ons stonden 97 riviercruisepassagiers, herkenbaar aan hun strooien hoedjes, die er ook voor stonden om het te doen. Het ervoor staan duurde me allemaal wat te lang en omdat er al weinig over is van de brug is het natuurlijk ook vrij rap vol. Morgen dan misschien maar….
Richting centrum kwamen we richting het Palais des Papes, het paleis van de pausen. Hé, hoor ik je denken. Die pausen, die zitten toch in Rome. Dat klopt maar sinds het begin van de pausen en nu heeft een kleine pauze gezeten. In 1304 werd namelijk Bertrand de Gouth tot paus verkozen. Nu hebben pausen altijd een artiestennaam, eigenlijk net zoals Gordon en de Zangeres zonder naam. Niemand weet eigenlijk echt meer hoe ze heten. Bertrand ging verder als Clemens de vijfde maar was van oorsprong Fransman.
Philips de Schone was toen de baas in Frankrijk en het leek hem wel handig om een Franse paus op Frans grondgebied te hebben. Philips had dan een beetje de touwtjes in handen over de staat en wanneer hij Clemens een beetje in zijn nek zou hijgen ook over de kerk. Dan had je niet het gezeur dat de kerk iets anders wilde dan Philips. ‘Wat nou, scheiding van Staat en Kerk’, dacht hij bij zichzelf, ‘Ik regel de boel wel’. Op dat moment was het een beetje een zootje was in Italië, eigenlijk is er nog weinig veranderd, dus hij had geen beter moment kunnen treffen. Hij zei dus tegen Clemens, ‘Kom jij maar lekker terug in Frankrijk, het is veel te gevaarlijk daar’. In het begin reisde de paus een beetje in de rondte maar in 1309 besloot hij dat hij wel in Avignon wilde blijven. Ik moet zeggen, het weer is hier goed dus zo’n slechte keus was dat niet. Dat heeft tot 1418 geduurd, daarna was het weer rustiger in Rome en gingen het kerkelijk hoofdkantoor weer terug naar Rome.
Eenvoud en soberheid zijn toch wel pijlers van het geloof maar dat gold hoofdzakelijk voor de mensen die de salarissen van de clerus moesten opbrengen. Op alles werd vroeger belasting geheven: het aantal ramen in je huis, het aantal haarden, de uitoefening van je beroep, je verblijfsvergunning in de stad, noem maar op. Dan kwamen de heffingen van de kerk daar nog bovenop. En wanneer je even buiten de pot gepiest had, en dat kon gauw want er mocht weinig, en dat kwam uit met de biecht kon je de zonde afkopen met de aflaat. Een soort afkoop van je no-claim.
Gelukkig had de kerk vrijstelling van belasting en dat is nog steeds zo, maar de gewone burgers hadden van de honger bijna geen ontlasting meer. De verkondigers van het Woord leken eenvoud en soberheid toch iets anders te interpreteren. Met een lege maag is het nu eenmaal slecht regeren. Goed eten is dus belangrijk, flessie wijn er bij en een muziekje. En verder omringden zich graag met pracht en praal maar dankzij deze eigenschappen is Avignon toch wel een beetje geworden wat het is. Een prachtige stad.
Bij het Palais ligt een megagroot plein waar de halve wereld zo’n beetje kan samenkomen. Een soort Sint Pietersplein maar dan anders, hier heet het Paleisplein. Het was er afgeladen met mensen. Velen wachtend tot ze de tentoonstelling van één of andere Japanse kunstenmaker. Tijdens het wachten werden ze vermaakt door een saxofonist op het plein. We hebben er even met plezier naar staan te luisteren. Daarna zijn we naar de paleistuinen gegaan. Een soort botanisch lustoord met vijvertjes en schaduwrijke plekjes. Een prachtige plek. Hier kon je mooi even uitzakken na het uitvoeren van het Woord van de Heer want dat viel toch allemaal niet mee. Dat moet je niet onderschatten.
Via een omweg kwamen we op het Place d’Horloge, het Klokkenplein. Alles restaurants, duur aan het begin, goedkoop aan het eind. Na drie restaurants had ik het in de gaten. Bij ieder restaurant werd het menu van de dag vijftig cent goedkoper. Ik even tellen hoeveel eettentjes er waren en ik kwam er op uit dat we aan het einde van het plein ongeveer drie euro vijfenzeventig toe zouden krijgen. We kwamen wat dat betreft bedrogen uit maar duur was het zeker niet. Gelukkig maar want de prijs en de kwaliteit waren aardig met elkaar in overeenstemming. Zelden zo beroerd gegeten. De ober wist dat waarschijnlijk al want hij vroeg niet eens of het gesmaakt had en de beloofde mayonaise moeten we ook nog krijgen.
Na het eten, nou ja, eten, zijn we naar het VVV gegaan. Daar werd ook weer vrolijk misbruik gemaakt van de Corona, een halve balie bezet en niet meer dan drie personen tegelijk binnen. Gelukkig lag het bureau nogal afgelegen dus weinig toeristen konden het vinden of ze hoefden niet omdat ze met het treintje gingen. Ik kon dus direct naar binnen en moest me zelf helpen met het uitzoeken van de folders. Ik kreeg een folder te pakken met wat looproutes door de stad. Die bij het paleis hadden we al min of meer gedaan dus we pakten de route die bij het VVV startte. Leuke wandeling, we kwamen op plekken die je anders had laten liggen.
Verborgen pleintjes, kleine straatjes, hofjes en arcades, we hebben van alles gezien. Uiteindelijk kwam de route uit bij ons beginpunt, het gat in de muur. Daar nog even lekker gezeten en wat op een terrasje op een verborgen pleintje iets gedronken. Vanavond lekker brood gegeten dat we onderweg meegenomen hebben. Culinair gezien was dat het enige goede van de dag, de rest was bagger. Maar cultureel gezien was het een topdag.
Zeven uur. De zon krijgt steeds meer moeite om het van het donker te winnen en merkbaar worden de dagen korter. De klok heeft daar geen boodschap aan. Die is de vervanger van het licht geworden. Ging alles vroeger naar het ritme van het licht, nu is het volgens het ritme van de klok en dat ritme lijkt wel steeds strakker te worden. De mensen leven naar de klok. Ze moeten wel want de hele maatschappij is erop ingericht. Om half zeven, dus in het donker nog, begint het geruis van de eerste auto’s op de Route National die de camping begrenst. Auto’s, bestuurd door mensen die niet uit hun vrije wil in hun voertuig zitten maar omdat de klok ze dwingt.
Op dat moment komen ook de vuilophalers van Avignon in actie. Mooi op tijd om het warmste gedeelte van de dag te kunnen ontlopen. Om half zeven hoor je het ‘Piep, piep, piep…’ van achteruitrijdende vuilniswagens die bij de camping de containers komen legen. Prompt om zeven uur beginnen de bosmaaiers te loeien. Het gras rondom de platanen die hier langs de Allées en Avenues staan moet weg. Korthouden die boel. Stel je voor dat je straks de boom niet meer ziet staan! Il est sept heures, Avignon s’éveille* om maar even het lied van Jacques Dutronc uit de jaren zestig vrij te citeren. *(Il est cinq heures, Paris s’éveille- Het is vijf uur, Parijs ontwaakt)
Langzaam komt alles weer tot leven. Hoewel, niet alles, bijna alles. Voor de camping hier in Avignon geldt het niet helemaal. De mensen hier hebben zich ontrukt aan het ritme van de klok en leven hoe het moet, met het ritme van de dag. Ik ben daarop helaas een uitzondering. Na 46 jaar de wekker naast mijn bed te hebben gehad kan ik me nog niet helemaal losmaken van dat ritme. Dat vind ik niet dramatisch hoor. Ik geniet ervan om de wereld om me heen weer tot leven te zien komen.
De mensen die langslopen doen allemaal dingen die ze thuis nooit doen of, althans anders doen. Soms gegeneerd, de andere kant opkijkend of overdreven nonchalant fluitend komen ze langs, gewapend met de afwas van de vorige avond, een volle vuilniszak of, in het ergste geval, een goed gevulde grijze secretieopvang. Een heerlijke parade, gevolgd door de mensen die naar het sanitair moeten. Toilettas of wc-rol onder de arm. Een beetje afhankelijk van het doel. Daarna volgt het opbreken door de vertrekkende mensen gevolgd door het opbouwen van de vroeg arriveerders. Eerlijk, de eerste paar uur hoef je je absoluut niet te vervelen en dat heb ik vanmorgen dan ook niet gedaan.
Toen de optocht bijna ten einde was zijn we op de fiets gestapt. We zitten hier op een eiland, het Ile de la Barthelasse. Het ligt, en dat zal je niet verbazen, in de Rhône die daar opeens niet meer de Rhône heet maar de Bras Mort en de Bras Vif. De dode en de levende arm. Het is een behoorlijk eiland met veel fruitteelt en je kunt er prima fietsen, tenminste wanneer je de fietsroute blijft volgen. Dat deden we niet want we vonden het rondje wat aan de korte kant. Halverwege het eiland ging je alweer terug en je kon nog wel verder. De accu’s waren vol dus wat hield ons tegen. Een mooi ritje. Veel fruitteelt hier maar ook pompoenen. Ook fruit wat we eerst niet thuis konden brengen maar kaki-fruit bleek te zijn. Langs de weg groeiden overal kweeperen. Een soort dat bij ons nauwelijks meer voorkomt maar waarschijnlijk komt dat omdat ze niet te vreten zijn. Je moet ze achtendertig uur koken en dan zijn ze nog niet gaar en nog belangrijker, helemaal niet lekker. Ik ben helemaal geen lastige eter maar kweeperen, nee. Die eten ze zelfs in de Goelag niet.
In het begin ging het ritje lekker soepel maar op een gegeven moment ging het fietspad over op een circuit VTT. Een mountainbikecircuit. Dat lag in een waterbergingsgebied van de rivier. Het begin ging nog wel. Alleen wat losse stenen. Wat later kwamen we in de grindbak terecht. Dat viel niet mee met een damesstadsfiets met grijze fietstassen, dunne bandjes en een Mickey Mousebel. We raakten bijna tot aan de assen in het grind er bleef maar één optie over: lopen. Zeulen is misschien wel een beter woord.
Achteraf viel het allemaal toch nog wel mee. Al na anderhalve kilometer veranderde de grindbodem in een hard gravelpad en konden we de weg, zij het voorzichtig, weer hervatten. Leuk ritje, door een natuurgebied met wel ik weet niet hoeveel dieren volgens de folders. Ik kan je melden, we hebben drie mussen, een zwaluw en een reiger gezien en daar hield het mee op. Onverwacht waren we opeens weer in de buurt van de camping en hebben bij het restaurant maar even een maaltijdsalade gegeten. Scheelt vanavond weer koken.
Aan het einde van de middag nog even een rondje Avignon, langs de stadsmuren. Goed opletten want niemand let op een fiets. Alles krioelt door elkaar op het fietspad. Dat is wel aangegeven als fietspad maar is een combi van trottoir, fietspad, skatebaan, brommerfietspad, rolschaatsbaan, kinderwagenuitlaatpad, parkeerterrein en misschien nog wel een paar dingen. Wanneer je denkt daar ben ik veilig dan kom je bedrogen uit. Ruim vijf kilometer is het rondje. Onafgebroken stadsmuur met poorten. Het ene gedeelte ziet er wat beter uit dan het andere maar het is er. Daarna weer terug naar de hut. Vanavond gewoon weer een broodje, een biertje en te bed. Op tijd want je wilt je ritme niet doorbreken omdat er morgenochtend weer genoeg te zien is.
Een tweede bezoek aan een stad heeft natuurlijk nooit het verrassingseffect als bij een eerste bezoek hebt maar we hebben toch weer hele leuke dingen gezien. We hebben stadswandeling drie gemaakt en die bracht ons op heel verrassende plekken. Vanaf een uur of elf waren we in de stad. Om nu elk straatje te gaan beschrijven is wat overdreven maar het Quartier des Teinturies was toch wel heel erg leuk. Dit is de buurt waar vroeger de textielververs en de leerlooiers hun vak uitoefenden.
Gisteren hebben wij een rondje stadsmuur gereden en toen viel het ons al op dat de muren niet zo hoog waren. En dat klopt ook aan de buitenzijde is het grondniveau hoger dan dat het vroeger was. Toen zag het er namelijk heel anders uit. De stad werd behalve door muren ook omringd door een soort van slotgracht of een singel, net hoe je het noemen wilt. Deze gracht werd gevoed door het riviertje de Sorgue alvorens het in de Rhône uitmondde. Door de stad had men een aftakking gemaakt ten behoeve van de textielindustrie. Het water in het kanaaltje dreef de watermolens van de textielververijen aan.
De straat is, na een periode van verval, nieuw leven ingeblazen. Het is nu een beetje ‘the place to be’. In de schaduw van eeuwenoude en meters dikke platanen zijn hier volop theatertjes, restaurantjes en terrassen. Het is een bruisend stukje stad. Er zijn nog een paar van de schepraderen over. Men zegt van vier maar we konden er maar drie vinden waarvan er één was die nog wat actief was. Mocht je dit nog willen meemaken dan moet je opschieten want ik denk niet dat hij het nog lang maakt.
Bijna aan het einde van de straat staat het oudste huis van Avignon. Een pand uit 1493, zonder dakgoten maar met gargouilles, waterspuwers die het regenwater zo in de Sorgue deponeerden. Iets verder staat het geboortehuis van Jules François Pernod, de uitvinder van de Pastis, het bekende anijsachtige aperitief dat hier in de contreien nogal veel gedronken wordt maar dat mij niet echt kan bekoren.
Na de nodige tussenstraatjes kwamen we bij de Hallen uit. Van oorsprong een soort overdekte markt, nu een soort delicatessenmarkt. Wat een mooie zaken. Helaas waren we er wat aan de late kant, sommige zaken gingen al dicht, maar het was een lust voor het oog. Doorgelopen naar Place Carnot waar we heerlijk gegeten hebben.
Daarna slenterend terug door het centrum en op het Place du Palais hebben we, zittend op het plein met een lekker ijsje in hand, afscheid genomen van een stad die ons buitengewoon verrast heeft. Morgen reizen we weer door, niet verder. We gaan richting het noorden, noordwesten. Waar we uitkomen zullen we wel zien. De reis is belangrijker dan het doel heb ik een commentator ooit horen zeggen dus daar houden we het maar op.
Saint-Laurent-du-Pape. Ja, wij hadden er ook nog nooit van gehoord, tot aan vandaag dan. Tussen Valence en Montélimar, een beetje halverwege aan de westkant van de Rhône. De Ardeche is het departement. Het was even ezeltje prik vandaag. Prikken op de kaart en dan kijken waar de staart hangt. En dat was hier. Op zo’n 125 kilometer ten noorden van Avignon. Goed te doen dus. Een mooi ritje. En nu staan we hier, op camping La Garenne. Een keurige camping met keurige mensen. Gepoetste sandalen en witte sokken. Strakke scheiding aan de linkerkant. Rok tot over de knie. Fris gepoetste caravans en schone auto’s. Kortom, niets op aan te merken. Alleen vallen wij iets uit de toon. Ik zit er niet mee.
Naast ons staan Annie en Sjeng, een leuk Limburgs stel. Net gepensioneerd. Zo’n monter koppel met fleurige gele lampionnen aan de luifel. Gewoon gezellig. Hun hondje sprak ons al eerder aan dan Annie en Sjeng zelf. ‘Woef, woef’, klonk het toen we de tent aan het opzetten waren. Oh shit, dacht ik, ze hebben een hond. Een blaffende hond, dat is bijna nog erger dan kinderen die geen herrie maken. In no-time stond de voortent en toen konden we even uitzakken. Vanwege de hete zon hadden we even een plekje in de schaduw gezocht, naast de heg. Een laurierheg, 60 centimeter hoog. Aan de andere kant van de heg stonden twee mooie Gazelle fietsen. De fietsen van Sjeng en Annie. We konden ze dus goed zien staan.
Sjeng en Annie waren druk in de weer. Druk in de weer met de fietsen. Althans, Annie was druk in de weer en Sjeng dacht druk mee. Sjeng heeft een beetje de uitstraling van Youp van ’t Hek maar dan 15 jaar geleden, met minder rimpels maar wel met dezelfde ronde benen bril. Hij maakt niet de indruk dat hij bijster intelligent is, maar ja, wanneer je Youp voor de eerste keer ziet krijg je ook die indruk. Een mens kan zich vergissen nietwaar. Annie was druk bezig met een touwtje en een fruitmandje. Sjeng stond erbij en keek ernaar. Zoals ik al zei, je kunt je vergissen want achteraf was dat zo dom nog niet.
Het fruitmandje moest achter op de fiets. Eigenlijk zat hij al achter op de fiets maar niet vast genoeg. Ik dacht nog: ‘dan doe je toch een snelbinder over je tas’, maar ik zat ernaast. Niet een beetje, hartstikke. Het mandje was namelijk niet voor de boodschappen. Het mandje was voor Bella. Het hondje. Het kleedje uit haar mandje ging dan op de bodem van het fruitmandje anders gingen Bella haar pootjes door de spijltjes. ‘En dat doet auw, hè Bella’, zei Annie tegen Bella. ‘Dat kan natuurlijk niet’. Dan vast aan haar riempje, dan kan ze geen kant meer op. Lekker veilig.
Bella, de worst op pootjes. Een teckel. Wie neemt er nou een teckel? Zo’n lopende Frankfurter. Maar ja, iedereen heeft recht om fouten te maken. Maar ja, een teckel nemen? Dat is geen fout, dat is het gevolg van een hersenvernauwing. Afijn, Annie was dus in de weer om het mandje vast te maken. Touwtje, koordje riempie, van alles werd erbij gehaald maar het lukte niet. Jantiene zag het hele gebeuren aan en fluisterde: ‘Maar jij hebt toch tie-wraps mee?’ Natuurlijk heb ik tie-wraps mee. Geen vakantie zonder tie-wraps. Maar laat ze eerst nog maar even hufteren. Hoe groter de wanhoop, hoe groter de dank.
Maar op een gegeven moment kon Jantiene het niet meer aanzien, Ze liep naar mijn gereedschapskoffer en haalde het doosje met tie-wraps eruit en vroeg: ‘Is dit misschien wat?’ Nou, dat leek ze wel wat. ‘Maar’, zei Annie ‘ze zijn wel een beetje kort’. ‘Dan doe je er toch gewoon twee aan elkaar’, zei Jantiene, ‘je kan er wel 10 aan elkaar maken’. Omdat we niet de indruk hadden dat ze helemaal het systeem van de tie-wrap begrepen ben ik maar even omgelopen en heb gekeken hoe het zat.
Toen bleek dat het mandje niet los zat maar de hele bagagedrager. Een heel ander verhaal dus. De imbusbouten aandraaien, dat had Sjeng zelf al geprobeerd, maar het mandje bleef maar heen en weren. En dat kon natuurlijk niet, anders lag er straks worst op de weg. En als je pech hebt werd het een platte worst. Dan was het: Weg worst, wat een pechworst!
Ik twee tie-wraps aan elkaar gemaakt en het mandje aan de bevestiging van de remklauw vastgemaakt maar dat kon niet volgens Annie want als ze dan moest remmen ging het mandje naar achter. Ik heb haar proberen uit te leggen dat aan de bovenkant haar wiel naar voren draait en niet naar achter en dat dat dus nooit gebeuren kan maar dat was verloren moeite. Sjeng deed ook nog een poging maar ik kapte hem af met de opmerking dat het verloren moeite was. Tegen vrouwenlogica valt namelijk weinig in te brengen. Sjeng begreep het. Ik denk dat hij al een tijdje met Annie was.
‘Hoe wil je het dan hebben?’, vroeg ik aan Annie. ’Aan je zadelpen?’ ‘Nee, want mijn zadel veert en dan gaat hij ook los’. Uiteindelijk vonden we een compromis. Aan het frame. Dat leek Annie wel redelijk veilig want het frame zit goed aan de fiets vast. Dat leek me ook wel maar dat kostte me wel vijf tie-wraps. Maar ja, voor een blij gezicht doe ik alles. En blij was ze. Vanwege de verscherpte Corona-regels leek het een omhelzing ons even te ver gaan dus pakte ze haar portemonnee. Hoeveel ik van haar kreeg? Schiet op zeg, Vijf keer heel weinig is nog bijna niets, laat maar zitten. Het is mij al genoeg beloning dat Bella overdag een beetje uit de buurt is.
De Ardeche is grofweg verdeeld in drie gedeeltes en wij zitten in het middelste gedeelte, l’Ardeche Buissonnière en Privas is de belangrijkste plaats van deze regio. Je raadt het al: markt. Een mooie grote markt met alle dingen die de markt voor ons aantrekkelijk maken maar die we al vele malen beschreven hebben. Die slaan we dus even over. Een aardige markt, we hebben er een anderhalf uur rondgebracht en hebben nog even een poging gedaan om de Montoulon, die overal aangegeven staat als Unesco site, te bezoeken. De stad was vergeven met richtingsborden maar toen het er om ging, op een splitsing van wegen naar vijf kanten op, bij het Huis van Bewaring van Privas, ontbraken opeens de aanwijzingen. Waarschijnlijk gejat.
Op de terugweg naar de auto kwamen we gelukkig een VVV tegen die ons er meer over kon vertellen. Het was niet zozeer een Unescosite maar een Unesco Geosite. Dat is een geologisch dusdanig interessante plek dat het een ritje er heen waard is. Vooropgesteld dat je van karstformaties, tufsteenwanden en leisteenbergen houdt. Hier betreft het een oude ‘schoorsteen’ van een vulkaan. Meestal moet je een geweldig goede bril op hebben om dat soort dingen te herkennen en mijn laatste bezoek aan Pearl is alweer een tijdje geleden. Buitengewoon interessant maar vandaag even niet.
Wij gingen even een rondje om. Aan de hand van de kaart even een, naar mijn idee, leuk ritje uitgestippeld om de Ardeche even beter te leren kennen. Een mooie rit die langs Nergenshuizen en Hutjeweg en Leegveld liep. Dus ook geen winkel of restaurant te bekennen. Langzaam begon zich een hongergevoel te manifesteren. Opeens een bord. Chalencon. Village de charme. Visitez ses restaurants. Nog zeven kilometer. En niet zomaar zeven kilometers, nee lekker klimmend omhoog, variërend van 7 tot 12 procent over een weg van 3 meter breed met af en toe een uitsparing om elkaar te kunnen passeren. Gelukkig hoefden we niet veel te passeren. We kwamen slechts een auto of drie tegen. Niet veel voor een weg vanuit een Village de Charme. Nietsvermoedend en hoopvol verder totdat we na een klein half uur Chalencon bereikten.
Bergen aan Zee op een koude, winderige, regenachtige 18 januari is een bruisende metropool in vergelijking met Chalencon. Het had de uitstraling van een graftombe en zo levendig was het ook. We volgden nog even het bordje ‘Restaurant et commerces’ maar dat bracht ons op een heideveld met wat verdwaalde schapen. Potverdorie, en nu? Doorrijden naar Vernoux, de enige aardige plaats in de omgeving. De doorgaande weg maar genomen. Dat ging een stuk makkelijker dan omhoog. Na een kilometer of 15 kwamen we in St. Jean de Chambre waar we een bord ‘Chalencon - 7 kilometer’ zagen staan en daarna door naar Riou, zo’n 5 kilometer verder vanwaar Chalencon nog slechts 3.2 kilometer was. Er schort dus duidelijk wat aan mijn richtinggevoel. Toch wel een fijn gevoel dat we een volle tank hadden.
Uiteindelijk in Vernoux beland, boodschappen gedaan en iets verder in het bos gegeten. Daar waren we aan toe. Vandaar de Col de Mûre op, de Bramenberg, en vandaar in één ruk naar beneden naar de camping. We mogen wel zeggen dat we dit gedeelte van de Ardeche wel een beetje hebben leren kennen vandaag. Mooi en stil. Eenmaal bij de hut, stoelen neergezet en een biertje uit de koelkast. Terwijl ik over de heg keek viel mijn oog opeens op twee Gazellefietsen. Mooie Gazellefietsen, de fietsen van de buren. Maar ik miste iets. Ik miste het mandje. Ik denk dat de tie-wraps het niet gehouden hebben. Zou het dan toch…? Maar nee, helaas zagen we Bella iets later rondscharrelen tussen de benen van het vrouwtje. Wel een geëigende plek voor een hondje van dat formaat. Jammer, geen knakworst op het menu. Maar ja je kunt niet alles hebben, dan maar weer gewoon koken vandaag.
Iets bij ons vandaan stoomt de Eyrieux. Het water is afkomstig uit de bergen in de omgeving die langzaam het regenwater dat ze opnemen weer afgeven. Het is een vruchtbare omgeving met volop boomgaarden. Appels, peren, abrikozen, perziken, kersen. Noem het op en het groeit er. Om het gebied, de Boutieres, te ontsluiten is eind 19de eeuw een spoorlijn aangelegd. Het fruit dat hier geplukt werd kon op deze manier twee dagen later in de Hallen van Parijs liggen voor de verkoop. In de 20ste eeuw groeide het aandeel van het wegverkeer en daarmee werd ook de infrastructuur verbeterd. Het lijntje verloor haar economisch belang en werd in de jaren zestig van de vorige eeuw gesloten.
De spoorlijn werd opgebroken en op het tracé heeft men een fietspad aangelegd, de Dolce Via, de zoete weg. Het is een prachtig pad geworden, ruim honderd kilometer het binnenland in. Goed begaanbaar, althans het gedeelte dat wij gereden hebben en niet al te steil omdat een gewone treinverbinding was. Vanmorgen hebben wij het traject van St. Laurent-du-Pape naar Les Ollières-sur-Eyrieux gereden. Een stuk van ongeveer 15 kilometer maar je moet natuurlijk ook weer terug. En omdat het traject voor ons aan de andere kant van de rivier ligt moet je er ook eerst nog even heen dus het werd een kleine veertig kilometer.
Alle stationgebouwtjes staan nog langs het tracé, herkenbaar aan de opschriften. Net als in Nederland had men een bepaalde bouwstijl. Gebouwen die bij ons in het begin van 1900 gebouwd zijn door Rijkswaterstaat kan je zo herkennen, hier is dat met stationnetjes. Ze zien er niet helemaal hetzelfde uit maar ze hebben wel de zelfde uitstraling. Het pad ligt als het ware tegen de berg aangeplakt. Aan de dalkant heeft men een afzetting van cortenstaal. Platen waaruit bloemmotieven zijn gestraald en op bepaalde punten zijn bomen en planten die je tegen kunt komen verwerkt. Er is werk van gemaakt.
Zoals ik al zei, een lichte stijging, op het eerste gedeelte ongeveer 1 procent, dat merk je nauwelijks. Het is een route die uitblinkt door vergezichten, je hebt het ene nog niet gehad of het volgende komt er alweer aan. Om de paar honderd meter een bankje om te picknicken. Perfect verzorgd. Helemaal niet Frans. Wanneer er iets te zien is staan er uitgebreide informatieborden. Wanneer je belangstellend bent ligt je gemiddelde snelheid dan ook niet hoog. Maar dat is niet erg, zoveel te zien onderweg.
Het is een gebied dat al lang bewoond is. Getuige hiervan waren de resten van een Romeinse brug. Helaas niet veel meer van over maar je kon zien (mede dank zij het informatiebord) dat het een groot bouwwerk geweest moet zijn. Het wegdek heeft zo’n 30 meter boven de rivier gelopen. Halverwege de 17e eeuw kwam er een einde aan het bestaan én aan het gebruik van de brug. Ze stortte in na een heftige vloed. Daar kunnen sommige bruggenbouwers nog wel wat van leren. Ik ken bruggen die het nog geen tien jaar uitgehouden hebben. In Ollières weer omgekeerd. Ondanks dat je dezelfde weg rijdt zie je toch weer heel andere dingen. In Saint Fortunat nog even van de route afgeweken om te kijken of er nog ergens een terras open was.
We troffen want we zagen een terras waarvan er verschillende tafeltjes bezet waren. Maar eigenlijk troffen we het ook niet. Toen de ober kwam zei hij dat het hem speet maar hij ging sluiten. Ik zei daarop dat het hem waarschijnlijk niet zo erg speet want anders bleef hij wel open. Hij draaide zich om en ging weer naar binnen. Antwoord hebben we niet gehad. Drank ook niet. De terugweg ging lekker makkelijk. Eén procent daling lijkt wel niet veel maar het fietst een stuk lichter. Zodanig zelfs dat we helemaal zijn doorgereden naar het beginpunt bij de Rhône. En natuurlijk weer terug. Een mooie dag was het, de moeite waard. Het voelde als een Dolce Vita.
Maandag. Maandag wasdag. Altijd een beetje een suffe dag. Winkels gesloten, weinig activiteiten kortom het leeft hier niet echt. Net als bij ons eigenlijk. Begonnen met een ochtendwandelingetje en het doen van de was. Net als ruim een week geleden beginnen we gebrek te krijgen aan bepaalde kledingstukken. Je hebt hier iedere dag eigenlijk hetzelfde aan. Omdat het lekker zit, je hebt toch je favorieten, en omdat het lekker weer is. Om tien uur hing het aan de lijn en konden wij aan de koffie. Wat zullen we vandaag weer eens gaan doen?
Omdat de zadelafdrukken nog duidelijk op onze billen zichtbaar waren hebben we maar besloten om vandaag de fietsen te laten staan. In plaats daarvan hebben we met de auto de Dolce Via proberen te volgen. Het viel niet mee, ondanks de routekaart die we hadden. Alles ziet er toch heel anders uit vanaf de weg. Wel zagen we geregeld het fietspad aan de overzijde van de rivier. De ene kant was namelijk gereserveerd voor het gewone verkeer en de spoorlijn liep apart aan de andere zijde.
Een mooie rit, maar zoals ik in de eerste regel al schreef, het was toch maandag. Wel mooie dingen, geen spannende dingen onderweg. Een van de bijzondere dingen die we tegenkwamen was Chateau de la Chèze. Een mooi ‘optrekje’ dat er eigenlijk te nieuw uitzag. Dat klopt ook wel. Gebouwd in de 13de eeuw. Daarna nog wel een paar keer verbouwd. Het heeft het alle schermutselingen hier in de omgeving overleefd (en dat waren er nogal een paar volgens het informatiebord) totdat de Duitsers het in 1944 platgebrand hebben. Zo’n twintig jaar geleden is het initiatief genomen tot renovatie en dat is goed gelukt. In het park ernaast staan een paar reusachtige bomen. Een Libanese ceder en een sequoia vormen wel het hoogtepunt. Maar ja, maandag, de tent was gesloten.
Daarna naar het letterlijke hoogtepunt. De Rocher de Brion. Een perfecte picknickplek. Hoog uitstekend boven het landschap is dit basaltenblok een overblijfsel uit de periode dat hier de vulkanen nog vrolijk borrelden. Zo rond de 15 miljoen jaar geleden. Ondanks dat we met de auto waren was het een toer om boven te komen. Een padje zo breed als het Daalmeerpad, stijging van rond de 15 procent en met ontzettend krappe bochten. Blij dat we niemand tegenkwamen. Het is een Unesco Geosite. Aan de top zie je het basalt de grond uitkomen, meterslange stukken. Ontstaan door afkoeling en krimp van de vloeibare lava. Zeskantige stukken zwart steen. Je kent ze wel, langs iedere dijk in Nederland zijn ze bijna te vinden.
Voor de rest vooral genoten van de omgeving. Het is een mooi département, Ardeche, hoewel ik denk dat je iets zuidelijker nog meer aan je trekken komt. Eenmaal terug een beetje ingepakt. Morgen gaan we richting het noorden wat over een dikke week moet weer verdiend worden wat we nu uitgeven. De laatste avond in St. Laurent du Pape lekker buiten doorgebracht. Om half tien is het nog een graad of twintig en lekker stil weer. Volgens de kenners komt er morgen regen. Reden te meer er nu nog even van te genieten.
Plaats 33 op Camping La Marjorie in Lons-le-Saunier. Mocht je ons zoeken, daar kan je ons vinden. Vanmorgen vertrokken uit Saint Laurent. We zouden op tijd weggaan maar we werden geclaimd door onze Zeeuwse overburen. Hele aardige lui, jammer dat zo’n gesprek pas in het laatste half uur van je verblijf op gang komt. Maar ja, het was niet anders. Richting het noorden. Voor de kat zijn kont maar even Verdun ingevoerd met tolwegen vermijden. Tenminste, dat dacht ik. Na honderd kilometer kwamen we tot de ontdekking dat de Route National in dit gedeelte van Frankrijk toch wel erg smal en bochtig was en langzaam begon een gevoel van twijfel ons te bekruipen.
Auto aan de kant en maar eens bij de instellingen gekeken. De instelling was niet ‘Tolwegen vermijden’ maar ik had ‘Snelwegen vermijden’ ingevoerd. Nou ja, brand is erger. De instellingen maar even veranderd en het ding de nieuwe route uit laten rekenen. Het was direct 70 kilometer extra maar twee uur minder lang. Ja, goed dat we erachter kwamen anders waren we met Sinterklaas nog niet thuis.
Eindelijk begon het een beetje op te schieten maar de halve dag was al om. Bij Lons-le-Saunier was ik het zat en hebben we de plaatselijke camping opgezocht. Om vijf uur stonden we. Zo’n mooie camping als hier hebben we de afgelopen jaren niet meer gezien. Helemaal super, grote plaatsen, warme douches en mooi geprijsd. Besloten om een dag hier te blijven om even de omgeving te bekijken. Donderdag maar weer verder. Met de Tomtom goed ingesteld.
Lons-le-Saunier, wie kent het niet. Metropool, hoofdstad van het departement Jura en de geboorteplaats van kapitein Claude Joseph Rouget de Lisle. De naam zal bij weinigen een belletje doen rinkelen. Maar eenzelfde oorverdovende stilte zal klinken bij het noemen van de naam van Marnix van Sint Aldegonde. Marnix heeft het Wilhelmus geschreven en Rouget de Lisle de Marseillaise, het volkslied van de Fransen. Een lied met een geschiedenis.
Het is in 1792 geschreven in opdracht van Koning Lodewijk de Zestiende om de Franse troepen wat op te jutten. Na de revolutie in 1789 werden namelijk niet, zoals de meesten wel denken, direct van alle leidinggevenden de hoofden van de romp gescheiden. De zittende macht was met de opstandige bevolking overeengekomen dat er een grondwet zou komen en die kwam er ook. Maar het volk bleef wat verdeeld. Was er niet helemaal gelukkig mee. En bleef een beetje morren. En hoe krijg je de koppen weer één kant op. Juist, goed presteren op het WK voetbal. Helaas was dit edele spel nog niet uitgevonden maar gelukkig was er een alternatief aanwezig. Even een lekker robbertje vechten met de buren. De Oostenrijkers in dit geval. En om het leger wat élan te geven, wat geestdrift, is dit lied geschreven. Een soort ‘Hup Holland Hup, laat de leeuw niet in zijn hempie staan’ maar dan anders.
Het Rijnleger stond al aan de Rijn dus lekker dicht bij de buren. Die konden wel wat steun gebruiken. Het lied is eigenlijk voor hen geschreven maar het werd in no-time zo populair dat het al snel in heel Frankrijk bekend was. Toen de hulptroepen iets later uit het zuiden Parijs binnenkwamen hadden ze er zin in. Ze zongen het al uit volle borst. Vandaar de naam Marseillaise, naar de hoofdstad van Zuid-Frankrijk.
Afijn, het werd dus knokken. Het was bijna gelijk spel maar de Fransen wonnen na penalties. Het was echt kiele-kiele, net aan dus. Helaas was het voor Lodewijk niet kiele-kiele. Voor hem was het al blessuretijd. Hij zat een beetje klem tussen de Franse adel die geen verandering wilde en de bevolking die het eiste. De adel en Louis verloren het spel én hun hoofd. Vrij snel daarna. In 1793 al.
Het lied bleef en werd, hoe tegenstrijdig ook, het volkslied. Dat wil zeggen, totdat Napoléon aan de macht kwam en het verbood. En zo ging dat nog een paar keer over en weer. Dan weer wel volkslied en dan weer niet. De mensen wisten er geen eind meer aan maar even na de oorlog maakte men een eind aan het gezeur en werd wettelijk bepaald dat dit de nationale hymne werd.
Het is een bloederig lied. Dan is het Wilhelmus, wanneer je de liederen vergelijkt, een beetje een kinderslaapliedje. Een beetje van: ‘Sorry hoor, koning van Spanje, we zijn een beetje stout geweest maar we vinden je nog altijd lief’. Nee, dan het Franse volkslied. Dat is heel anders. Mannelijker, bruter en zo van ‘we zullen jullie even een poepie laten ruiken’. Afgesneden kelen, bloed dat over de akkers loopt, verscheurde moederborsten, samen in de doodskist, brullende soldaten, gescheurde vaandels, dat zijn pas teksten, het kon niet gek genoeg. Toen woonden er hier nog mannen. Niet van die Louis Vuittons en Christian Diors. Nee, échte mannen. Mannen die met twee afgehakte ledematen en de darmen uit de buik zingend nog een paar Pruisen naar de andere wereld hielpen. Dat waren pas kerels. Wanneer de oorspronkelijke editie in Nederland door de filmkeuring moest werd het op zijn minst 18-plus misschien wel 21.
Het moet een tijdsbeeld zijn. Van die vroegere heldhaftigheid zie je weinig meer terug, tenminste niet hier in Lons-le-Saunier. Lons, de geboorteplaats van Rouget de Lisle. De man van de teksten waar het bloed vanaf droop en waarmee hij soldaten tot een heldendood wist te bewegen. Nee, ik denk niet dat men nog bang hoeft te zijn voor een nieuwe revolutie hier in Frankrijk. En vooral niet in Lons. Om acht uur gaan hier de luiken dicht en worden alle schotels gericht op hetzelfde punt boven de evenaar. Daar waar de satelliet hangt. Snel jongens, het begint bijna. Het wordt weer een spannende avond. Nog even snel een blok in de kachel, chips op tafel en dan weer een nieuwe aflevering van Cijfers en Letters.
Chatillon-sous-les-côtes. Het zei ons eigenlijk ook niets, net als jou. De beek de Viaunoue stroomt er doorheen. Nou ja, stroomt, wanneer het drie weken niet geregend heeft stroomt er weinig meer. Vlak bij Verdun ligt het. Op een steenworp. Toeval was het dat we hier terecht kwamen. Vanmorgen met stromende regen vertrokken. Het was een compleet grijs gordijn van water. Maar eenmaal vertrokken onderweg klaarde het op en werd het droog. Blauwe plekken aan het firmament. Het werd zowaar weer aangenaam.
Het was rond half vijf toen we een bordje langs de weg zagen staan: Camping à la ferme, kamperen op de boerderij. Nederlands gesproken stond erbij, met een grote pijl. We hadden lang genoeg in de auto gezeten vonden we en gingen eropaf. Maar alles wat we vonden: géén camping. Zelfs geen boerderij. Waarschijnlijk was het bord, buiten een bezoekregeling voor de hond, het enige dat restte van het ‘Ik vertrek-avontuur’. De boerderij was gelijk met de boedel in tweeën verdeeld en door de scheidende partners meegenomen.
Meestal ontaarden dit soort ‘ik vertrek-avonturen’ in een desillusie en een scheiding. Hebben ze een goede baan bij de overheid of een leidinggevende functie in de dienstverlenende sector van 28 uur en dan vinden ze dat ze het te druk hebben. ‘Nee, we gaan lekker naar Frankrijk, een camping beginnen, of een bed and breakfast. Lekker genieten van het leven en van elkaar’, zeggen Henk en Gerda.
‘Mooi daar, goed weer, lekker vrij, niet meer zoveel regels, een mooi avontuur’. ‘En er staan ook vijf olijfbomen, die gaan we dan oogsten en de olie gaan we dan in ons eigen winkeltje verkopen samen met brocante en natuurlijk de eieren van onze eigen kippen’. ‘Ja, en als we dan gesetteld zijn kan Gerda een eigen nagelstudio opzetten, dat heeft ze altijd al gewild’ vertelt Henk dan enthousiast. Alle collega’s en buren die op het afscheidsfeestje van Henk en Gerda zijn worden toch wel wat jaloers. Spannend, zo naar het buitenland. Waren wij ook maar zo avontuurlijk als Henk en Gerda, hoor je ze denken.
Maar het spannendste dat Henk en Gerda ooit gedaan hebben is een vakantiehuisje gehuurd op Texel. Spannend met de boot. Oh ja, en het gras gemaaid bij vrienden toen die op vakantie waren. En natuurlijk ook hun kliko buitengezet. Want dat hoeft niet op het driekamer doorzon appartement op zeshoog van Henk en Gerda. Maar gelukkig konden ze het appartementje wel goed verkopen en samen met de lening van oma erbij hadden ze precies geld genoeg om dat vervallen, maar o, zo romantische boerderijtje met 3 hectare kale rots erbij te kopen. Mooi en lekker rustig gelegen aan die doodlopende weg, zeven kilometer bij het dichtstbij gelegen dorpje vandaan.
Ja, lekker genieten van het leven. Geloof je het zelf? Van 28 uur werken naar 82 uur werken. Klussen doen die je niet kunt. Zaken regelen bij overheden die écht niet op jou zitten te wachten in een taal die je niet spreekt. Ja, je kunt 2 croissants bestellen bij de bakker en een kop koffie op de hoek. En de ober die lacht dan vriendelijk naar je en jij denkt dat het om je grapjes is. Nee, dat is omdat hij je iedere keer veel te veel laat betalen. En je denkt zeker dat je het bouwbesluit en de bestemmingsplannen van de plaatselijke overheid in het Frans kunt lezen. Of kunt onderhandelen met een bouwbedrijf?
Ja, jullie begrijpen elkaar tot dat ze aan de gang moeten. Dan laten ze jullie eerst betalen en dan komen ze vervolgens niet opdagen. En de kosten worden drie keer zo hoog omdat jullie niet helemaal begrepen hebben dat het dak ook verrot is en dat dat niet meegenomen was in de offerte. Of denken jullie dat je op de hoogte bent van de nieuwe regelingen afvalwaterstoffen in Ploumy-sur-Arc? Ja, je hola. En waar je de Chambre d’Hote nog moet behangen terwijl jullie eerste en enige boeking al voor de deur staat. Ja, die vrienden van jullie. Die geboekt hadden om jullie een plezier te doen en die jullie korting gaven omdat het zo’n aardig stel was. Ja, die, met dat vervelende rothondje. Verdomme, waren ze maar thuisgebleven.
Ja, daar waar de stroom na iedere onweersbui uitvalt en het internet net zo snel is als dikke stront, bergop door een trechter bij zeven graden vorst. Genieten? Vergeet het maar. Een lijdensweg wacht er op je. Hoge bloeddruk en hartaanvallen en als je niet uitkijkt een houten overjas.
Weten jullie wat je moet doen wanneer je lekker van elkaar wilt genieten? Blijf maar lekker thuis. Lekker andijviestamppot eten. Dan heb je tenminste tijd voor elkaar. En wanneer je wat avontuur in je leven wilt brengen Henk, dan knijp je je leidinggevende op je werk maar eens even goed stevig in haar borsten. En probeer dan maar aan Gerda uit te leggen waarom je ontslagen bent. Dat is pas spannend. En waarschijnlijk een stuk eenvoudiger dan emigreren naar het buitenland.
Een hele kleine wereld is het wanneer ik om een uur of half acht de caravan uitstap. Mist rondom. Een schreeuwende kraai, een kwakende eend. Geluiden die een beetje kleur aan het landschap geven. Voor de rest is het grijs. Grijs wat de klok slaat. Om acht uur slaat in de verte een kerkklok. Langzaamaan begint de zon een beetje aan kracht te winnen. Silhouetten worden zichtbaar. Bomen krijgen vorm en licht op de achtergrond zie je de heuvelrug die voor een gedeelte de naam bepaald van de plek waar we nu zijn. De Côtes. De côtes van Chatillon-sous-les côtes. Chatillon onder aan de heuvels.
Gisteren hebben we niet de moeite genomen om de caravan van de auto af te koppelen. Vandaag wordt onze laatste vakantiedag. Nog een dikke 400 kilometer richting huis. Dat is te doen want thuis zet je de caravan neer en ben je eigenlijk klaar. Voor de zekerheid alle instellingen van de Tomtom nog even gecontroleerd, het is immers al een paar keer fout gegaan afgelopen weken, en op pad. In flarden trekt het landschap voorbij. De mist is nog niet helemaal opgetrokken.
België. Eigenlijk zonder erg rijden we de grens over. Alleen een oud douanekantoor markeert nog de grens. De borden die het aangeven zijn overwoekerd met klimop of verscholen achter struiken. Onderhoud van de infrastructuur lijkt hier een beetje de sluitpost van de begroting. Dat is ook aan de weg te merken. Gelukkig zijn we vlak bij de afslag richting de E11. De weg die ons richting Nederland zal leiden.
Bord. Déviation. E11 niet bereikbaar. Probeer om te draaien. Dat gaan we natuurlijk niet doen. Gewoon doorrijden en maar zien waar we uitkomen. 23 kilometer verder vinden we een nieuwe toegang richting snelweg. Mooi, nu gaan we kilometers maken. Ja, inderdaad. Kilometers maken. Maar niet op de manier die we gedacht hadden. Afslag Luik. Afgesloten. Luik zit op slot. Vanwege het hoogwater van een maand geleden ligt heel Luik op de schop. Het huwelijk elektronische verkeersregelinstallaties en wassend Maaswater bleek geen gelukkig verbond. Al na enige uren hield de eerste het voor gezien. Jammer en dertig jaar te laat. Zoals ik al schreef, onderhoud is hier een sluitpost. Ja, kilometers maken. Extra kilometers…..
We worden omgeleid via Namen, Brussel, Antwerpen. En niet alleen wij. Ook die duizenden anderen die een andere route in hun hoofd hadden. Het is gierend druk op de weg. Rondweg Brussel: vast. Zaventem: vast. Antwerpen: vast. Meer-Breda: vast. Utrecht: vast. Het lijkt of de verkeersellende een Belgisch exportartikel geworden is en vaste voet aan de grond krijgt in Nederland. Iets later horen we dat het de op drie na drukste spits van het jaar is en dat was te merken. Via Ransdorp, waar we de gescoorde quinoa, zonnebloemen en lavendel afgeven richting Koedijk. Weer vast. Overal.
Uiteindelijk zijn we thuis. Het is bijna een hallo en dag. Iedereen even groeten, spoken met de hond (wat is hij gegroeid!), snel een rondje erf en weer op pad. Net thuis en dan ga je weer. Op weg naar ’t Verlaat. Voor een soort reünie-verjaardag. Kees is vijfenzestig geworden. Al een tijdje geleden maar ja, Corona. Het was dus uitgesteld. Vandaag is het.
Kees is de oude teamleider van de Daalmeer waar ik een kleine 30 jaar geleden gewerkt heb. Alle oude collega’s komen. Sommigen heb ik al in geen jaren gezien. Het begint om vijf uur en we rijden om zeven uur thuis het pad op. Nou ja, dan maar geen kippenpoot. Blij dat ik heengegaan ben. Wat een ontzettend leuke avond. Békaf thuis. Op dat moment was het einde van de vakantie al gisteren. Een mooie vakantie. Leuke ontmoetingen en verrassende plekken. Dingen ontdekt, dingen geleerd. Wat verheug ik me op de dag dat dit geen vakantie meer heet maar gewoon onderdeel van ons leven wordt. Nou ja, nog even. Tot die tijd zal het wel voelen als gisteren: je weet dat het eindpunt in zicht is maar ondertussen sta je in de file en schiet het geen donder op.